Politiek en onderwijs samen in het schuitje

De band tussen politiek en onderwijs heeft jarenlang de problemen verhuld, stelt Leo Prick.

De afgelopen jaren kwamen de hogescholen herhaaldelijk in het nieuws als gevolg van schandaaltjes en schandalen variërend van sjoemelen tot evidente fraude. Niet alleen met de salarissen en onkostendeclaraties van bestuurders, met fictieve studenten, ondoorzichtige financiële constructies met buitenlandse vestigingen, de inschrijving van Chinese studenten die geen woord Engels verstonden, maar ook met diploma’s.

Herhaaldelijk lieten docenten van zich horen over de kwaliteit van het onderwijs. Ze vertelden dat ze gedwongen werden hun eisen te verlagen of dat ze niet meer hun vak mochten doceren maar in plaats daarvan onduidelijke competenties moesten afvinken. Toch vonden die klachten nauwelijks gehoor. Tot de affaire Inholland.

Was dat omdat het in dit geval ging om een duidelijk aanwijsbare hogeschool? Dat kan de reden niet zijn. Al eerder kon men immers kennisnemen van funeste ontwikkelingen aldaar tijdens het bewind van bestuursvoorzitter Jos Elbers: in de Elsevier-ranking eindigden de opleidingen van Inholland in alle onderzochte studierichtingen op de laatste of één na laatste plaats, daalde het aantal eerstejaars met 20 procent (terwijl andere hogescholen in de Randstad een toename lieten zien) en adviseerden docenten studenten hun studie elders voort te zetten.

Voor wat zijn eigen salaris betrof lapte Elbers alle regels aan zijn laars. Terwijl dit alles indertijd niet leidde tot enige politieke opwinding, zou een dergelijk opzichtig geval van wanbeleid nu niet langer onopgemerkt blijven. Dit als gevolg van het ingrijpend veranderde maatschappelijke en politieke klimaat.

Het wanbestuur bij de Rotterdamse hogeschool voor de kunsten Codarts, de diplomafraude bij hogeschool Windesheim en het belabberde onderwijspeil bij de economieopleidingen van de Hogeschool van Amsterdam: dit alles is de afgelopen maanden naar buiten gekomen. Niet omdat het nieuwe ontwikkelingen betrof, want deze zaken speelden allemaal al veel langer. Ze komen nu pas naar buiten, omdat bestuurders er niet langer in slagen de buitenwereld te doen geloven dat het hier zou gaan om betreurenswaardige incidenten en niet om fundamentele gebreken.

Het CDA en de Partij van de Arbeid zijn altijd grootleveranciers geweest van ministers, staatssecretarissen, onderwijswethouders en schoolbestuurders, en maakten ook de dienst uit in de invloedrijke vakbonden van leraren. Dankzij de schaalvergroting en de daarmee gepaard gaande riante arbeidsvoorwaarden werden de colleges van bestuur van de hogescholen een aantrekkelijk beroepsalternatief voor vertrekkende Kamerleden, wethouders en andere politici van met name deze twee partijen. Dit heeft geresulteerd in de personele vervlechting van bestuurders en politici tot het ‘Onderwijspolitieke Complex’ zoals we dat nu kennen.

Opvallend daarbij is ook de politieke vervlechting van de PvdA en christelijke organisaties: Marleen Barth ging van de Tweede Kamer, naar de christelijke onderwijsbond (voorzitter), naar de Eerste Kamer. Frans Leijnse (PvdA) ging van de Tweede Kamer, naar de HBO-Raad (voorzitter), naar de raad van toezicht van de Vrije Universiteit. Dat de leden van de colleges van bestuur bij andere onderwijsinstellingen zitting hebben in de raad van toezicht draagt bij aan de ondoordringbaarheid van het Complex.

De verwevenheid van onderwijs en politiek heeft ervoor gezorgd dat de colleges van bestuur van de politiek niets te vrezen hadden. Want de politiek, dat waren zij zelf. Zo was het althans tot voor kort, maar inmiddels zijn er signalen die erop wijzen dat het Onderwijspolitieke Complex er niet langer in slaagt om kritiek op het functioneren van de hogescholen onschadelijk te maken. De besturen hebben, nu het CDA en de PvdA hun dominante positie in de politiek zijn kwijtgeraakt, hun onaantastbaarheid verloren met als gevolg dat de komende tijd ongetwijfeld nog veel oud zeer naar buiten zal komen.

In de hogescholen leeft namelijk onder docenten veel opgekropte woede en frustratie. Docenten die in het verleden hun beroepseer ontleenden aan een duidelijk herkenbare en algemeen gerespecteerde school voor hoger beroepsonderwijs, zagen hoe hun instelling onderdeel werd van een omvangrijke en onduidelijke organisatie. Ze werden gedwongen mee te werken aan de invoering van onderwijsmodellen die vooral tot doel hadden om op personeel te bezuinigen.

Omdat universitair opgeleide leraren te duur waren, en vaak ook sterk gericht op hun vak en daardoor lastig te managen, werden die vervangen door goedkope, lager opgeleide leraren die niet moeilijk deden als inhoudelijke eisen werden vervangen door vage competenties.

Voor de hogescholen reden genoeg, zou je zeggen, om de klachten over de kwaliteit van het onderwijs bij zichzelf te zoeken. Maar volgens het verslag in de Volkskrant van een discussie over het economieonderwijs van de Hogeschool van Amsterdam zijn ze daar nog niet zo ver. Han Boels, voorzitter van de medezeggenschapsraad, wijt het lage niveau aan de studenten: „Die zitten als consumenten in de klas.” Nou, zet ze aan het werk, zou ik zeggen. Zijn bazin, ‘rector magnificus’ Jet Bussemaker (PvdA), wijt de gebrekkige kwaliteit van het onderwijs aan de afspraak dat de helft van de bevolking hoger opgeleid moet zijn. Een wonderlijk verweer. Die afspraak is namelijk niet bedacht door de docenten van de hogescholen die altijd hebben gezegd dat zoiets onmogelijk was met behoud van kwaliteit; die wens kwam uit de koker van de politiek waar Bussemaker als Kamerlid en staatssecretaris jaren lang deel van heeft uitgemaakt.

Niet alleen docenten, ook studenten klagen al jaar en dag over de kwaliteit van veel hbo-opleidingen. In zo’n situatie rest maar één oplossing: de invoering van landelijke examens voor ten minste een aantal kernvakken.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.