Op zoek naar zonden

Wetenschapsfraude Enkele grote fraudezaken hebben de wetenschapswereld opgeschrikt. Maar hoe vaak wordt er eigenlijk geknoeid? We vroegen het de universiteiten.

Karel Berkhout & Esther Rosenberg

Een afdelingshoofd van het AMC meldde op een dag aan de ombudsman van het ziekenhuis dat een promovendus ‘wetenschappelijk wangedrag’ vertoont. De promovendus gaf de ‘frauduleuze handeling’ toe, schreef de ombudsman in zijn jaarverslag van maart 2010. De zaak moest snel en grondig worden uitgezocht. De schade bleek beperkt. De promovendus is door zijn afdelingshoofd ‘ernstig berispt’.

In 2010 werd aan de VU datafraude gemeld bij Celbiologie. Fraude ‘met externe data, aangeleverd door externe onderzoekers uit Finland. Deze data waren niet goed gecontroleerd’. De ombudsman van de universiteit schreef later dat ‘dat ook niet had gekund’.

Universiteit Leiden, 2006. Plagiaat door een promovendus in haar proefschrift. ‘Plagiaat bestond uit het overnemen van tekstpassages zonder bronvermelding, waarbij werd voorgedaan alsof het haar eigen tekst betrof.’ Een ‘voorwaardelijk disciplinair strafontslag’ volgt.

We wilden weten hoe vaak het nou eigenlijk voorkomt, wetenschappelijke fraude en misleiding, en hoe universiteiten het bestrijden. Aanleiding waren recente zaken. Ineens popten ze op, in 2011. Een hoogleraar in Tilburg bleek al jarenlang zijn onderzoeken te verzinnen. Een senior onderzoeker in Nijmegen verzamelde te slordig patiëntengegevens en nam ontslag. Een medisch hoogleraar in Rotterdam werd ontslag aangezegd wegens fraude. De rol van de Leidse collega die veel met hem publiceerde, wordt nog onderzocht.

Niemand wist nog hoe vaak fraude voorkwam. Een eerste inventarisatie is er nu, nadat alle universiteiten reageerden op een vragenlijst die deze krant ze stuurde (zie kader Rondgang).

De universiteiten blijken sinds 2005 in totaal 102 meldingen te hebben behandeld, waarvan er zeker 27 gegrond zijn verklaard. In 16 gevallen volgden sancties. Het jaar 2005 werd gekozen omdat de universiteiten zich aan het begin van dat jaar committeerden aan de nieuwe Nederlandse gedragscode wetenschapsbeoefening (zie kader Gedragscode).

Opvallend in de enquête zijn de grote verschillen per universiteit. Tegenover zo’n dertig meldingen in Utrecht, staat – tot aan de zaak Stapel – geen enkele melding in Tilburg, twee meldingen in Eindhoven en twee in Delft. Ton Hol is al acht jaar vertrouwenspersoon in Utrecht. Hij is ook hoogleraar rechtsfilosofie. “Een verklaring voor de vele meldingen kan zijn dat de vertrouwenspersoon op onze universiteit al lang bestaat en daardoor redelijk bekend is. Mensen weten je op den duur makkelijker te vinden.” Het AMC, dat sinds 2003 een vergelijkbare ‘ombudsman’ heeft, kent ook veel meldingen. In Tilburg was de drempel tot voor kort hoog, doordat de rector magnificus de vertrouwenspersoon was.

Universiteiten bestrijden fraude ook verschillend. Niet allemaal hebben ze een ombudsman of vertrouwenspersoon bij wie wangedrag kunnen worden gemeld. Sommige hadden tot voor kort geen commissie die integriteitszaken onderzoekt. Rapportages van schendingen zijn zelden openbaar.

Zelfs na het van kracht worden van de code in 2005 duurde het nog jaren voor sommige instellingen hun procedures echt op orde hadden. Maastricht heeft sinds september 2007 een regeling en Tilburg heeft pas sinds 1 januari van dit jaar een volwaardige regeling. Nog in 2009 moesten twee universiteiten “sterk worden aangemoedigd” een reglement invoeren om al lopende fraudezaken te kunnen afhandelen, zegt Kees Schuyt, emeritus hoogleraar sociologie. Hij is voorzitter van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), dat alle integriteitsschendingen behandelt in een soort hoger beroep.

Eeuwige zoektocht

Op verzoek bekijkt Schuyt de inventarisatie van de universiteiten door deze krant. Dit zijn nog niet álle zaken, zegt hij. “Ik mis er zeker nog een stuk of vijf, sinds 2005. Maar hoe dan ook, het totaal aantal zaken is niet hoog.”

Het kan zijn dat fraude daadwerkelijk niet vaak voorkomt. “Ik weet niet goed of wat we binnen krijgen een topje van de ijsberg is, maar ik sluit het niet uit”, zegt vertrouwenspersoon Hol. Het is de eeuwige zoektocht naar de dark numbers, zegt Schuyt: “Als we echt willen weten hoe vaak fraude voorkomt, moeten we het wetenschappelijk onderzoeken.” Wetenschappers, zegt hij, deden integriteitsonderzoeken onder ambtenaren en onder politieagenten. De integriteit van wetenschappers onderzochten ze niet.

Een vraag die geen van de universiteiten kon beantwoorden, is hoe vaak hun medewerkers statistische informatie weglieten om de conclusies van een wetenschappelijk artikel te verfraaien. In de gedragscode staat dat dat niet mag. Onmogelijk om te controleren, laten de universiteit weten via belangenorganisatie VSNU. Hun voorzitter Sijbolt Noorda noemt het weglaten van statistische informatie “een dagelijkse zonde”, in tegenstelling tot een doodzonde als het verzinnen van data. “Als het weglaten van informatie wordt ontdekt bij het maken van een proefschrift, wordt dit gecorrigeerd tussen promovendus en promotor.”

Naar zijn stellige indruk komt wetenschapsfraude in Nederland niet vaker voor dan in landen als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Hij weet niet of ook daar wellicht slechts een deel van de schendingen wordt gemeld. “Het is onmogelijk iets te zeggen over wat we niet kunnen zien.”

Er zijn namelijk aanwijzingen dat fraude vaker voorkomt dan wat nu gemeld wordt. Die aanwijzingen zijn te vinden in grootschalige enquêtes onder wetenschappers in verschillende disciplines. Zo presenteerde het tijdschrift British Medical Journal (BMJ) deze week een enquête onder artsen en wetenschappers in het Verenigd Koninkrijk. Van de 2.700 deelnemers gaf 13 procent aan wel eens gezien te hebben dat een collega onderzoeksgegevens veranderde of fabriceerde. Volgens het bijbehorende BMJ-commentaar doet de uitkomst vermoeden dat wetenschappelijk wangedrag ‘springlevend’ is in het VK en benadrukt ‘de behoefte aan betere systemen om wetenschapsfraude te bestrijden, te ontdekken en te onderzoeken’.

Er bestaan ook onderzoeken onder psychologen en criminologen. “In dit soort surveys geeft 1 tot 4 procent van de wetenschappers aan zich wel eens schuldig te hebben gemaakt aan een van de drie hoofdzonden”, zegt psycholoog Jelte Wicherts van de Universiteit van Amsterdam, die veel onderzoek doet naar wetenschapsbeoefening. De hoofdzonden zijn plagiaat, datafalsificatie (het bijwerken van resultaten) en datafabricatie (het fingeren van resultaten).

Met 1 tot 4 procent kom je onder enkele tienduizenden wetenschappers in Nederland zeker hoger uit dan het nu gemelde aantal fraudegevallen. De drempel om fraude te melden is op veel universiteiten hoog, zegt Wicherts. Aan het aanpakken van fraudeurs kleven juridische haken en ogen. Universiteiten zijn bang voor slechte publiciteit. Wicherts: “De pakkans voor een fraudeur is klein. Behalve bij plagiaat.”

Knip- en plakwerk

Verreweg de meeste fraudemeldingen hebben dan ook betrekking op plagiaat – van het zonder bronvermelding overnemen van ideeën tot het letterlijk overschrijven van passages uit het werk van een ander zonder diens naam te noemen. In Utrecht bijvoorbeeld betrof de helft van het aantal onderzoeken plagiaat. Vertrouwenspersoon Hol: “Plagiaat is naar verhouding makkelijk vast te stellen, want je vergelijkt gewoon twee teksten en kijkt naar de overeenkomsten. Makkelijk voor de integriteitscommissie die een oordeel moet vellen. Makkelijk ook voor de buitenstaander, die geen expert hoeft te zijn.”

Het is dus goed mogelijk dat plagiaat vooral ontdekt wordt, doordat het makkelijk te ontdekken is. Een andere reden kan zijn dat wetenschappers in een tijdperk van digitalisering slordiger zijn gaan omspringen met bronnen. Hol: “Iemand komt in tijdnood, knipt en plakt wat teksten bij elkaar en vergeet welke tekst van hemzelf is en welke niet. Dit soort knip- en plakwerk is makkelijker dan voorheen.”

Alle grote fraudezaken vóór de zaak Stapel betroffen plagiaat, zegt Schuyt. Psycholoog Diekstra verloor in de jaren negentig zijn baan als hoogleraar in Leiden na onvolledige vermelding van bronnen. Neuropsycholoog Sitskoorn kreeg in 2006 een berisping voor eenzelfde vergrijp en stapte over van Utrecht naar Tilburg.

Volgens Schuyt tonen deze zaken nog iets anders. “Beide betroffen populair-wetenschappelijke teksten en kwamen aan het licht door toedoen van journalisten. Niet door meldingen van collega-wetenschappers. Het wetenschappelijke forum functioneerde op dit punt kennelijk niet.” Ook in de zaak Stapel hebben veel collega’s zitten slapen, concludeerde de commissie-Levelt.

Vertrouwenspersoon Hol signaleert dat onderzoekers fraude vooral melden als ze een conflict hebben met een collega: “Jaloezie en kinnesinne geven in de praktijk net het duwtje waardoor mensen gaan melden. Niet de verontwaardiging over de schending van de norm.” Volgens hem nemen “collega’s elkaar kennelijk in normale situaties niet de maat”.

Universiteiten vertrouwen hier niettemin wel op. De VSNU schrijft in een toelichting dat ‘alertheid en normbesef garant moeten staan voor het tegengaan van schendingen’. Vanouds worden wetenschappers geacht elkaar kritisch te benaderen, op congressen, in het laboratorium en bij de beoordeling van artikelen voor wetenschappelijke tijdschriften (peer review).

Publicatiefabrieken

Die controle staat onder druk, constateert Schuyt. Onderzoekers zijn zo druk met hun eigen onderzoek dat ze vaak geen tijd hebben om ook collega’s kritisch te volgen: “Een paar jaar geleden behandelden we een zaak rond een promovendus, die in zijn proefschrift plagiaat had gepleegd. Het plagiaat werd ontdekt door de geplagieerde, niet door de promotoren of door leden van de promotiecommissie – terwijl die dit met hun kennis van het vakgebied hadden moeten signaleren.”

Onderzoeksinstituten hebben zich ontwikkeld tot publicatiefabrieken, zegt universiteithoogleraar Louise Fresco (Universiteit van Amsterdam). Er kwamen meer promovendi, meer publicaties, het aantal wetenschappelijke tijdschriften explodeerde. Fraude en falende controle, zegt ze, zijn geen fenomenen die op zichzelf staan.

Een hoogleraar moet voor financiering van onderzoek met “steeds meer en opvallender resultaten komen die aandacht moeten krijgen in de media”, maar moet in zijn vrije tijd ook meer proefschriften en publicaties van anderen nakijken. Deze dubbele druk, zegt ze, leidt tot “een uitholling van de collegiale toetsing”.

Ze noemt ook een andere oorzaak voor die uitholling. Door vergaande specialisering en fragmentatie van wetenschapsgebieden staat de beoogde anonimiteit van de peer reviews steeds meer onder druk. In elk deelvakgebied is slechts een relatief klein aantal deskundigen actief. “De afzonderlijke onderzoeksterreinen zijn zo klein geworden dat ik bij een artikel op mijn vakgebied alleen al op grond van de referenties kan vaststellen van welke onderzoeksgroep het komt”, zegt Fresco. Is dat erg? Fresco: “Je bent toch afhankelijk van elkaar. Degene wiens artikel jij afwijst, is degene die straks beslist over een publicatie van jou in een tijdschrift.”

De afnemende collegiale controle is voor universiteiten geen reden om een soort ‘keuringsdienst van waren’ in te stellen, zoals de VSNU dit noemt. De grote fraudezaken vorig jaar zijn wel aanleiding om hun controle- en bewakingssystemen “te vervolmaken”, zegt Noorda. De rectores magnifici komen begin april met voorstellen voor een “aanvulling op de code en voor de inrichting van de regelingen op de universiteit”.

Dat is geen overbodige luxe, leert de inventarisatie. In de wetenschapscode van 2005 staat hoe wetenschappers zich moeten gedragen, maar nergens is vastgelegd hoe universiteiten dat moeten waarborgen. Er zijn universiteiten die tot voor kort geen vertrouwenspersoon hadden. Bijna alle universiteiten houden de integriteitschendingen binnenskamers: alleen het AMC en Leiden maken hun (geanonimiseerde) onderzoeksverslagen openbaar.

Geld voor meta-analyses

Dat moet anders, vindt voorzitter Noorda van de VSNU. Naast de bestaande integriteitscommissies moet op alle universiteiten een ombudsman of vertrouwenspersoon komen, meent hij. Iemand die medewerkers weten te vinden en bij wie iedereen makkelijk binnenloopt, ook bij vermoeden van een kleine overtreding. Ook moeten alle rapporten van alle integriteitscommissies – wellicht geanonimiseerd – openbaar worden. Daarnaast pleit hij voor het vaker opnieuw bekijken van resultaten en data van al gepubliceerde artikelen. “In plaats van altijd maar nieuw onderzoek zouden fondsen als NWO dergelijke meta-analyses moeten stimuleren en er geld voor moeten vrijmaken. Onzorgvuldige onderzoeken worden er zo – achteraf – ook uitgepikt.” Als voorbeeld noemt Noorda de studie die Wicherts maakte van artikelen van psychologen die hun data niet wilden delen; bij 1 van de 7 onderzoeken bleken de resultaten niet langer significant.

Op 1 april komt een commissie, die Schuyt voorzit, met een advies over hoe universiteiten beter om moeten gaan met onderzoeksgegevens, naar aanleiding van de zaak Stapel. Die hield jarenlang zijn gegevens voor zichzelf – wat overigens de gewoonte is van veel wetenschappers en de controle bemoeilijkt.

Schuyt: “De wetenschapscode van 2005 is sterk gericht op individuen. Ik vind dat de onderzoeksinstituten en universiteiten zelf meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor naleving van de regels.” Ze zouden een datamanager kunnen aanstellen, zegt hij. Iemand die alle onderzoeksgegevens nog eens controleert. Ook zouden universiteiten hun medewerkers steekproefsgewijs kunnen controleren. “Gewoon, door zo nu en dan een dagje met een onderzoeker mee te lopen. Leg uit waarmee je bezig bent en hoe je aan je gegevens komt en welke analyses je daarop hebt toegepast.”

Reageren? Stuur een mail naarwetenschapsfraude@nrc.nl