Nederland = fossielebrandstofland

Nederland was eeuwenlang het enige land dat grotendeels op turf draaide. Daarna kwam er steenkool en nu is er aardgas. En straks komt er schaliegas, betoogt Ad Maas.

Windmolens behoren tot de traditionele iconen van de Nederlandse identiteit. Toch wil het in Nederland niet echt vlotten met de inzet van wind voor energievoorziening. Niet onbegrijpelijk: Nederland draait al vanaf de zestiende eeuw voornamelijk op fossiele brandstoffen.

De Nederlandse energiegeschiedenis krijgt een bijzondere wending als er in de zestiende eeuw in Europa een schrijnend tekort aan brandhout ontstaat. Als reactie hierop schakelt Nederland massaal over op een nieuwe brandstof: turf. De winning van turf kon alleen hier op rendabele en grootschalige wijze geschieden. Omdat het land zo laag ligt, kon de turf per schip worden afgevoerd. In het buitenland moesten paard en wagen worden ingezet. Wat aan energie werd gewonnen, ging aan paardenvoer verloren.

De systematische turfwinning begon in de westelijke laagveengebieden, van waaruit de turf makkelijk naar de nabijgelegen stedelijke centra kon worden gevaren. Om ook de hoogveengebieden in het noordoosten ‘aan snee’ te brengen, moesten eerst kanalen moesten worden gegraven voor het transport. Daarvoor werden compagnieën opgericht, zoals de Schoterlandse Veencompagnie en de Ommerlander Compagnie. Het waren de Shells en Esso’s van de vroegmoderne tijd.

De beschikbaarheid van turf gaf Nederland een geweldige voorsprong op de omringende landen. Niet alleen huishoudens, maar ook nijverheden als de steen- en pannenbakkerij, zoutziederij, bierbrouwerij, bakkerijen en smelterijen kregen de beschikking over goedkope warmte.

In een opmerkelijke studie uit 1978 betoogt historicus J.W. de Zeeuw hoe verstrekkend de gevolgen waren van turfwinning. Volgens zijn berekening leverde de turfwinning tijdens de Gouden Eeuw jaarlijks 6.000 miljard kcal op (ter relativering: nog geen 1 procent van ons huidige verbruik). Met houtkap was zelfs het gehele oppervlak van het land niet toereikend geweest om deze hoeveelheid energie te verkrijgen.

Opvallend in de berekening van De Zeeuw is dat de energieproductie van de drieduizend windmolens die het industriële bedrijf van de Republiek dienden – en die toch veel meer verankerd zijn geraakt in ons nationale zelfbeeld – ‘slechts’ 45 miljard kcal bedroeg.

De resultaten van De Zeeuw stuitten op scepsis – reden wellicht waarom zijn conclusies niet in hun volle reikwijdte zijn doorgedrongen tot de geschiedenisboeken. Een proefschrift uit 1995 van M.A.W. Gerding over de turfwinning in de noordelijke provincies, de meest gedegen studie over de Nederlandse turfeconomie tot nu toe, heeft echter aangetoond dat De Zeeuws berekening wel degelijk de goede orde van grootte heeft. Een belangrijke kanttekening blijft wel dat molens iets konden wat met turfverbranding (voor de uitvinding van stoommachine) nog niet mogelijk was, namelijk energie omzetten in beweging: met molens kon men hout zagen, meel malen en water oppompen.

Los van dergelijke nuanceringen laat het massale karakter van de turfwinning en de nationale schaal waarop ze was georganiseerd maar één conclusie toe: Nederland groeide ten tijde van de Gouden Eeuw uit tot de eerste fossielebrandstofeconomie ter wereld. Tot ver in de 19de eeuw bleef de Nederlandse energiehuishouding sterk afhankelijk van turf.

Gaat het goed met de fossiele- brandstofwinning, dan gaat het goed met Nederland. Tijdens de opleving die het land eind negentiende eeuw doormaakte, werd op Sumatra een bedrijf opgericht om er de lampenbrandstof petroleum uit de bodem te halen. Dit bedrijf, Koninklijke Olie, sloeg in 1907 de handen ineen met het Britse Shell Transport, waarmee de kiem was gelegd voor de multinational die in 2009 – qua omzet – zelfs de grootste ter wereld was.

Koninklijke Olie/Shell is al een hoofdstuk op zichzelf in onze energiegeschiedenis, maar heeft ook voor de binnenlandse brandstofwinning grote gevolgen gehad. Met name door de activiteiten van dochter de Bataafsche Petroleum Maatschappij en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (een samenwerkingsverband tussen Shell en Esso), is vermoedelijk geen land al zo vroeg op olie en gas doorzocht als het onze.

Het enorme gevolg van het grootste succes van deze exploratie – de gasvondst in 1959 onder de bietenakker van boer Boon te Slochteren – hoeft hier amper uiteen te worden gezet. Heel Nederland schakelde over op aardas, we danken er een deel van onze welvaart aan, en liepen zelfs een heuse ziekte op – de vermaledijde Dutch Disease. Daarna zijn er nog enkele kleinere gasvelden gevonden, de laatste nog onlangs in het Friese Ee. Maar deze gasvelden zijn zeer bescheiden vergeleken met Slochteren. Ee wordt geschat op 4 miljard kubieke meter, Slochteren bevatte 2.700 kubieke meter, waarvan ongeveer de helft gewonnen is.

Behalve gas is in Nederland echter ook serieus olie gewonnen. Het veld in het Drentse Schoonebeek behoorde in de jaren vijftig zelfs tot de grootste olievelden op het West-Europese vasteland. In de jaren zestig en zeventig werd op diverse plaatsen in Zuid-Holland olie uit de grond gehaald, zoals in Rijswijk, De Lier, Pijnacker, IJsselmonde en in Wassenaar. Later werd het accent naar de Noordzee verlegd.

Het traditionele beeld dat de Nederlander zijn geluk uit water en wind haalt, is hardnekkig en leidt tot plannen die meer door nostalgie dan door bedrijfseconomische overwegingen lijken te zijn ingegeven. Een mooi voorbeeld is het geruchtmakende plan-Lievense uit de jaren tachtig. In de Markerwaard zou een een soort bassin verschijnen omzoomd door een ringdijk met windmolens. Deze pompten water vanuit het lagergelegen IJsselmeer in het bassin. Door het water terug te laten stromen, kon op ieder gewenst moment met turbines elektriciteit worden opgewekt. Ondanks de irreëel hoge kosten van dit project dook een nieuwe variant weer op in het ‘Tulpeiland’ waarmee minister-president Balkenende in 2008 goede sier dacht te maken. Op een kunstmatig eiland in de ludieke vorm van een tulp moesten windmolens, getijdenstromen en een constructie à la Lievense een staalkaart van Nederlands ondernemerschap etaleren.

Terwijl het Tulpeiland alweer in het laagveen der geschiedenis is weggezonken en opgevolgd is door andere meeslepende plannen, zoals een getijdencentrale in de Brouwersdam, blijft Shell onverstoorbaar miljarden aan oliedollars binnenhalen en blijven onze huizen nog decennia lang verwarmd met Gronings gas. De voorwaarden voor de aanwending van duurzame vormen van energie zijn op de keper beschouwd dan ook verre van optimaal in Nederland: te weinig ruimte voor windparken, een waterig zonnetje, geen natuurlijk reliëf voor stuwmeren en een zwakke getijdenwerking aan onze kusten.

Nieuwe initiatieven op het gebied van fossiele brandstoffen kunnen intussen op weinig sympathie rekenen. Op 25 oktober haalde de rechter een streep door de plannen voor proefboringen naar schaliegassen in Boxtel door het Britse bedrijf Cuadrilla. Vrijwel niemand lijkt erom te malen. Een algeheel moratorium op het boren naar schaliegas (en steenkoolgas), zoals van verschillende kanten wordt bepleit, is echter niet raadzaam. We moeten de zoektocht naar fossiele brandstoffen niet belemmeren, we moeten investeren in een verstandige omgang. We zullen ze in de toekomst nog hard nodig hebben.

Ad Maas is conservator in Museum Boerhaave en medesamensteller van Verborgen krachten: Nederlanders op zoek naar energie.