Loek is de maximalist onder de grootmeesters

Na een jaar adempauze maakt Loek van Wely zijn rentree in het Tata Steel-toernooi in Wijk aan Zee. De grootmeester ging tijdens zijn sabbatical hardlopen, hij leerde pokeren en stiekem bleef hij schaken. „Energie tanken, loslaten en dan herboren terugkomen.”

I n het weekend voor Wijk aan Zee pikte hij nog even de halve marathon van Egmond aan Zee mee. Het viel hem tegen. Hij had gehoopt op barre kou, regen en hagel, zodat hij het gevoel zou hebben met iets heroïsch bezig te zijn. Niets van dat alles. Zijn enige troost was dat hij zich niet helemaal fit voelde. Op vrijdag was hij na afloop van een snelschaaktoernooi om 8 uur ’s avonds met de auto vanuit San Sebastian vertrokken om de volgende middag na drieënhalf uur slaap aan te schuiven voor een competitiewedstrijd in Assen. Daarna was de nacht van zaterdag op zondag ook nog eens te kort geweest. Dat voelde hij wel op het strand van Egmond aan Zee.

Toch was het niets vergeleken met zijn marathondebuut twee maanden eerder in Amsterdam. De vader van zijn vriendin Lorena, een enthousiaste loper uit El Salvador, had hem uitgedaagd met de woorden ‘nada de mariconadas’. Vrij vertaald: hij moest geen mietje zijn. „Die provocatie kon ik natuurlijk niet op me laten zitten. Eind augustus kwam ik terug uit de VS en had ik nog anderhalve maand om me voor te bereiden. Ik liep hem in 4.32, waar ik totaal niet happy mee was, maar het was zes minuten sneller dan mijn schoonvader. Op kilometer 26 wilde mijn linkerkuitspier niet meer. Er zijn wel meer lopers die spierproblemen krijgen, maar ik was waarschijnlijk de enige die achterom keek of de vijand eraan kwam.”

Loek van Wely houdt van uitdagingen en competitie. Als mogelijkheden voor een volgend duel heeft hij zijn schoonvader voorgesteld mee te doen aan de Tough Guy Challenge in Engeland of de jaarlijkse stierenloop in het Spaanse Pamplona. Zijn grote droom is de Iron Man-triatlon op Hawaï. Dat fanatisme heeft hij altijd gehad. Met een lachje herinnert hij zich hoe verbeten hij als klein jongetje voetbalde. „Een tegenstander vroeg aan een ploeggenoot: waarom kijkt hij zo boos? Waarop die zei: wacht maar tot hij echt boos wordt!’ Of hoe fit hij was als 16-jarige tijdens een schaakkamp op Papendal. „We begonnen met een bosloop met alle sporters. Rugbyers, atletiekjongens, worstelaars. Ik liep gewoon mee voorin en ineens werd er rondgepraat: er loopt een schaker voorop!”

Met diezelfde overgave heeft hij altijd geschaakt. Altijd had hij een volle agenda en geen reisschema was hem te dol. „Sommige mensen zijn maximalistisch ingesteld. Je leeft maar een keer. Je wilt niet op een gegeven moment beseffen dat je allerlei kansen gemist hebt. Mensen die dat niet begrijpen, weten ook niet wat topsport is en hebben waarschijnlijk nog nooit in hun leven echt hun best gedaan voor iets.”

Toch kwam ook voor hem het moment dat hij een adempauze wilde inlassen. „Wie weet hoe mijn leven eruit zag, zal verbaasd zijn dat ik nooit een burn-out heb gehad. Veel reizen, veel spanning, dat vreet aan je.” Daarom zou 2011 een jaar worden om bij te tanken, een ontspannen jaar. Niet steeds van hot naar her. Meer tijd voor sport, meer tijd voor pokeren. Eens een keer niets doen en weinig schaken. „Alleen wat teamcompetities. Die betalen aardig en hebben een sociaal karakter. Of een open toernooi in Amerika, om wat zakgeld te verdienen voor poker of vakantie. Niet als een prof leven maar de schaaktoerist uithangen, zoals Kasparov zou zeggen.”

Hoever hij met pokeren kan reiken houdt hem al een tijdje bezig. Hij beschouwt zichzelf nog steeds als een amateur, maar neemt het spel serieus. In een hoek van zijn flat in Tilburg liggen 70 pokerboeken die hij van een kennis overnam. „Ik blijf het een extreem interessante mogelijkheid vinden. Pokeren is big money en soms speel je een toernooi waar je dicht bij een prijs bent die meer is dan wat je in een heel leven in Wijk aan Zee bij elkaar speelt.”

Tijdens zijn sabbatical bezocht hij een twintigtal pokertoernooien, online speelde hij nog veel meer. Over de balans doet hij niet moeilijk. „Het hele jaar liep best wel ruk. Het zat vaak tegen. Ik kwam wel mensen tegen die zeiden: als ik zo draaide zoals jij, was ik allang gestopt. Maar het laatste toernooi dat ik in december speelde in Riga liep wel goed. Daar werd ik zevende en verdiende ik 15.000 euro. Maar het was marginaal, daar kun je niet van leven.”

Het schaken ging hem beter af. Het liep zo lekker dat hij besloot in de zomer een grote schaakreis door Amerika te maken. „Ja, toen werd het toch weer hectisch. Als ik nu terugkijk hoeveel ik gespeeld heb, dan ben ik met tegen de honderd partijen toch weer een van de actiefste Nederlandse spelers.” Zijn volgers in Nederland lazen niet alleen met enige verbazing hoeveel hij in zijn rustperiode schaakte, ze zagen ook zijn rating gestaag stijgen. Even kwam hij zelfs weer boven de 2.700 punten en leek hij op weg het gat te dichten met de huidige nummer één, Anish Giri.

Die ratingwinst wil hij graag relativeren. „Het heeft ook iets kunstmatigs. In die Amerikaanse toernooien kom je geen jongens met 2.750 punten tegen, en dat zijn de jongens die mij pijn kunnen doen. Het is net als op de Galapagos-eilanden. Ieder eiland heeft zijn eigen microklimaat en dieren die elkaar nooit tegenkomen. Maar als je terugkeert naar een hard toernooi als Wijk aan Zee, dan heb je een probleem, want daar zijn die jongens volop.”

Het is die bezorgdheid in combinatie met nieuwsgierigheid en ambitie waarmee hij uitkijkt naar zijn terugkeer in het Tata Steel-toernooi. Voor het eerst is hij op papier de zwakste deelnemer. De Nederlandse favoriet is Giri. Met hem zou hij graag de rivaliteit hebben zoals hij die met Jan Timman had. Een rivaliteit die naar zijn overtuiging Timman hielp om na zijn veertigste goed te blijven spelen. Zelf wordt Van Wely komend jaar ook veertig, maar hij betwijfelt of het ervan zal komen. „Anish is speels, slim, heeft gevoel voor humor en is mediageniek. Nu zou het nog wel interessant zijn om een match met hem te spelen, maar ik zie met hem niet ontstaan wat ik met Timman had. Hij wordt beter en ik denk dat ik niet meer lang in zijn buurt kan blijven.”

Op dit moment houdt het hem niet echt bezig. „In dit toernooi heb ik wel andere issues dan pijltjes te werpen op een poster van Anish.” Hij weet dat de confrontatie wacht met de beste spelers van de wereld. Carlsen, Aronian, Topalov: allemaal meedogenloos in hun speelkracht en ongelooflijk goed voorbereid. Jarenlang heeft hij meegedaan aan de wapenwedloop op openingsgebied en studeerde hij zich letterlijk suf om bij te blijven. Nu gooit hij het over een andere boeg. Samen met een geheime adviseur heeft hij openingen voorbereid waarmee hij voornamelijk de opening wil overleven. „Het is een andere aanpak van spelen, wat minder principieel, wat slimmer, en wat geniepiger. Ik wil kiezen voor een solide variant waarin ik lang kan spelen of ik probeer ze te verrassen met een koffiehuisvariant. Ik probeer ze in een moeras te lokken en als ze eenmaal in het moeras zijn geef ik me wel een goede kans.”

Het is verleidelijk parallellen te zien met de door hem bewonderde Sven Kramer. Die sloeg na een jaar afwezigheid hard toe. Daar wil hij niet aan en hij zegt meteen dat Kramer heel wat harder heeft gewerkt. Maar dan twinkelt er iets in zijn ogen. „Een hoop Amerikanen doen het, een jaartje eruit en dan goed terugkomen. Dat ze energie getankt hebben, het even hebben losgelaten en dan herboren terugkomen.” Toch blijft hij voorzichtig. „Het zou mooi zijn, maar het kan ook vreselijk misgaan.”