Is dit nou de stem van Nederland? Taal vertelt wie je bent en waar je vandaan komt

Nederlanders gebruiken steeds meer Engels en maken zich zorgen over hun identiteit. Tegenstrijdig, vindt Marcia Luyten.

Shop twice this weekend, adviseert een sticker naast de kassa van modeketen WE. Eronder de tekst: Shop till you drop en op de ruit Discover yourself as everyone else is already taken. Ik haast me naar huis, langs Esprit-posters met een jonge vrouw: I wish for a puppy, verderop een meisje: I wish for a brother. Dan staan langs de ring reclameborden: Shurgard Self-Storage en Dress less to impress. Bart Smit verkoopt Toys and Games.

Het winkeldomein waar ik het meest kom is het Buikslotermeerplein in Amsterdam-Noord. Dat heeft niet echt de internationale allure van de PC Hooft. Het publiek verdient beneden modaal. Er is veel kleur, blank ziet vaak grauw. Een groot deel van de klanten op het Buikslotermeerplein is laagopgeleid. Zij spreken volgens mij matig Engels. En toch toont het Buikslotermeerplein verachting voor de Nederlandse taal.

Dat is opmerkelijk. Amsterdam-Noord heeft relatief de meeste Amsterdamse PVV-stemmers. Scoort Wilders in de hoofdstad als geheel laag (12 procent), in Noord is de steun voor de PVV vergelijkbaar met die in Volendam, Purmerend en Almere: zo’n 20 procent.

Dit is de voorhoede van een groeiende groep Nederlanders die zeggen zich in Nederland steeds minder thuis te voelen. Die vinden dat Nederland voor de Nederlanders is. Ze hebben het gevoel dat hun identiteit onder druk staat. Halverwege december 2011 haalt de PVV in de peilingen 27 zetels (18 procent), drie meer dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2010.

Terwijl rijke, hoogopgeleide consumenten steeds meer kopen op internet, gaan laagopgeleiden naar een winkelcentrum als het Buikslotermeerplein. Op de bankjes voor de C1000 wordt gebabbeld, gerookt, gelachen. Een accordeon speelt Mary’s boy child en het ruikt naar gebakken vis.

In de omringende winkels staan steeds meer teksten in een taal die de klanten eigenlijk niet spreken – geen Arabisch, maar Engels. Het eerste zou ze verontrusten. Maar het tweede?

Waarom zouden lezers van regionale kranten en De Telegraaf, kijkers van Ik Hou van Holland, The Voice of Holland, Boer Zoekt Vrouw en Flikken Maastricht zich bewegen in een omgeving met steeds meer Engels?

Politiek en economie werden Europees, identiteit bleef afgeleid van Nederland, vaak van provincie, stad of streek. Hilversumse radiozenders draaien naar de smaak van het grote publiek zo weinig Nederlandstalige muziek, dat ze massaal luisteren naar etherpiraten, online-radiopiraten en commerciële stations als 100% NL. Daar klinkt het Nederlandse Lied.

Omdat Geert Wilders dat verlangen naar nabijheid goed aanvoelt, scoorde hij in de Provinciale Statenverkiezingen van 2010 met folkloristisch sentiment. „Geen halal maar zoervleisj”, beloofde de PVV in Limburg. In Zeeland waren de „karaktertrekken” van de Zeeuwen uitgangspunt voor een „gezonde samenleving”: sterk, koppig en zuinig. Sober zijn ook de Friezen: „Zuinig op wat ze hebben... niet onnodig geld over de balk smijten…” In Limburg werd de PVV de grootste.

Niet lang daarvoor was de verwarring over de Nederlandse identiteit zo groot, dat er een Nationale Canoncommissie en een Nationaal Historisch Museum moesten komen. Prinses Máxima bleek de lange teen van haar nieuwe vaderland niet te kennen en zei dat dé Nederlander niet bestaat.

Natuurlijk had Máxima het volste gelijk. Ze realiseerde zich alleen niet dat het ontbreken van een eenduidige Nederlandse identiteit geen pluspunt maar een open zenuw is. Wie wij Nederlanders zijn weten we niet meer.

Wie we waren, is veranderd als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen als globalisering, Europeanisering, individualisering en multiculturalisering. En hoe luider de pleidooien voor een ‘kosmopolitische’ identiteit, hoe amechtiger het zoeken naar herkenning dichtbij. In Zuid-Limburg praten politici en beleidsmakers over het belang van de Euregio. In Kerkrade en Heerlen wordt steeds meer geluisterd naar de dialectliederen van Jack Vinders.

Je taal is je thuis. Je moedertaal vertelt het verhaal over wie je bent en waar je vandaan komt. Dat doet het Limburgs, evengoed als het Fries, het Drents, het Gronings, het Zeeuws én het Nederlands.

Veel Zuid-Limburgers waren ‘koelpieten’ (mijnwerkers) die in de jaren vijftig en zestig onmisbaar waren voor de wederopbouw van Nederland. Wij Nederlanders waren vriendelijk, ontspannen, niet al te formeel en (gordijnen) open. Maar de taal waarin wij Nederlander zijn, wordt onbedoeld maar gestaag gemarginaliseerd.

Op Radio 1 verzekerde premier Rutte ons dat de benoeming van Donner tot vicevoorzitter van de Raad van State geen doorgestoken kaart was, en zei: „Opstelten kan echt wel zijn eigen mind opmaken.”

Nederland als nationale staat werd pas mogelijk na de ontdekking van de boekdrukkunst. Johann Gutenberg drukte in 1456 het eerste boek en deed met de drukpers de belangrijkste vinding van het laatste millennium.

Boeken verspreidden in één taal ideeën onder een groot publiek over een grote afstand. Steeds meer mensen gingen lezen, zelfstandig nadenken en meer abstracte ordeningen uitdenken. Maarten Luther scoorde met 95 Stellingen de eerste bestseller ter wereld, gevolgd door de vertaling van de bijbel. The Economist vergeleek Luther met de Facebook-voorhoede van de Arabische Lente; ook hij begon zijn revolutie, de Reformatie, door via sociale netwerken zijn ideeën in print te verspreiden.

De politieke betekenis van de drukpers is moeilijk te overschatten. Boeken maakten de verbeelding van een gedeeld idee mogelijk, van een gevoel, een gezamenlijke geschiedenis, oftewel: van de natiestaat. Die natie behoeft één taal en één verhaal. Aan naties jonger dan de Nederlandse is dat nog goed te zien. Indonesië werd pas een land nadat het Bahasa Indonesia in 1945 officieel werd uitgeroepen tot nationale taal en alle scholen op 17.508 eilanden het als voertaal kregen. Sindsdien spreekt iedere Indonesiër dezelfde taal. Taalpolitiek schiep de natie.

Wij maken een tegengestelde ontwikkeling door. Na het eerste Nederlandse woordenboek in 1546, werd in de Zeventien Provinciën, later Republiek der Verenigde Nederlanden, steeds meer Nederlands gesproken. De laatste twintig jaar verliest de eenheidstaal terrein. Overheidsfolders zijn er in het Nederlands, Arabisch, Turks en Marokkaans. Alles wat te koop, hip of jong is, wordt uitgedrukt in het Engels.

Radio 3 FM is Serious Radio en zamelt geld in met een Serious Request. (Hoe veel luisteraars van 3FM weten wat een ‘request’ is?) De politie in Den Haag kondigt verscherpt toezicht aan met het bordje: ‘Let op: bike surveillance’. Onduidelijk is of ik word gewaarschuwd voor agenten op de fiets, of mijn fiets voor een apk-keuring.

Leenwoorden zijn van alle tijden, nu wordt het Nederlands uitgehold. Deze verloochening van het Nederlands is moeilijk te rijmen. Hoe is het mogelijk dat mensen die zeggen dat Nederland te weinig Nederlands is, accepteren dat het Engels hun taal verdrijft? Hoe kun je mensen die behoefte hebben aan een sterke Nederlandse identiteit, producten verkopen in de taal van de globalisering?

Dat de verweesde Nederlanders het huis laten verkommeren waarin die identiteit moet wonen, hangt samen met een nevenproduct van de globalisering: commercialisering.

De Amerikaanse hoogleraar Benjamin Barber (Consumed en Jihad vs McWorld) zegt het al jaren: met de globalisering is de leefwereld vercommercialiseerd. We zijn hyperconsumenten die ons leven betekenis geven door hoe we wonen, de auto die we rijden, het merk dat we dragen. Onze identiteit komt uit de winkel.

Met die vercommercialisering gebeuren twee dingen. De burger in ons legt het af tegen de consument (de eerste wil schone lucht en kipfilet zonder antibiotica, de tweede wil 130 rijden en goedkoop vlees). En de commercie spreekt de taal van de reclamejongens. Die taal vertelt je dat je bent wat je koopt en zegt dat in het Engels (Discover yourself as everyone else is already taken).

Naarmate identiteit meer afhangt van wat je koopt, en minder van wat je weet, wat je kunt en wie je kent (‘hebben’ versus ‘zijn’) wordt dat commerciële domein bepalender. Dat kan ertoe leiden dat de crisis van de verweesde Nederlander zich verdieptin de omgeving waar identiteit wordt aangeschaft. Want een volk dat zich ontdoet van zijn taal, geeft zijn bestaansrecht op. Is dat niet wat ze op rechts noemen: ‘Weg met ons’?

Voor de Vlamingen was taal altijd van levensbelang. Zonder het Nederlands zou Vlaanderen een verlengstuk van Wallonië zijn. Dat een punaise ‘duimspijker’ heet en een helikopter ‘wentelwiek’ is van politieke betekenis. En zoals Franse woorden in vertaling onschadelijk werden gemaakt, zo dringt ook het Engels minder door het Vlaamse schild heen. De Nederlandse consument geeft zich minder rekenschap van zijn taal.

Die veronachtzaming van het Nederlands gaat samen met een andere ontwikkeling. Nieuwe media veranderen ons beeld op de samenleving. De schotelantenne aan het ene balkon haalt andere zenders binnen dan Digitenne in de woning ernaast. Het NOS-Journaal heeft geen monopolie meer op het nieuws. Al naar gelang ons wereldbeeld bedienen we ons van nu.nl, nrc.nl, nyt.com of aljazeera.com. We zien de wereld als door een caleidoscoop; een kijker met talloze lenzen. We bekijken dezelfde werkelijkheid maar zien haar telkens net even anders. Het wereldbeeld wordt versplinterd, de natie gehinderd.

Aangemoedigd door populistische politici zoeken de onzekeren de oorzaak van hun onbehagen buiten zichzelf. Ze wijzen naar wat van buiten komt: migranten, Europa, de wereld. Maar er is geen veilig heenkomen in nostalgie en een gebalsemd zelfbeeld. Ook ‘hebben’ vult de leegte van het ‘zijn’ niet. De verweesde Nederlander heeft meer aan een eigentijds zelfbewustzijn. Dat begint met een taal, een verhaal en met ‘thuisvoelen’.

Dat laatste krijg je niet in de winkel, het wordt niet geleverd door de staat en bij Linda de Mol haal je het evenmin. Thuisvoelen is een werkwoord. Dat gevoel ontstaat door interactie met anderen, het ontstaat in gemeenschappen. Sociaal kapitaal, op zichzelf al een onbedoeld neveneffect van verenigingsleven of samenwerking, heeft prachtige wilde loten aan zijn stam: vertrouwen, economisch succes en sociale identiteit. Wie zich identificeert met zijn straat, dorp of stad omdat hij daar wordt gekend, zal minder mopperen over de teloorgang van Nederland.

Dat betekent niet dat de natie Nederland op de schroothoop kan. Ze is de entiteit waarbinnen heel verschillende groepen samenwerken om welvaart te produceren. Gejeremieer over Europa en de islam die Nederlanders hun Nederland zouden afpakken, helpt niks. Een zelfbewust, pragmatisch Nederlanderschap wel.

Zouden we aan taalpolitiek durven doen, dan zou die bevorderen dat het Nederlands met nadruk en liefde wordt gebruikt; door winkeliers die ‘uitverkoop’ houden en door een premier die zegt dat een minister ‘zijn eigen afweging kan maken’. Waar de verweesde Nederlander behoefte aan heeft, is daadwerkelijke aanhankelijkheid jegens onszelf, dat is: aan politiek die in vercommercialisering de plaag herkent die ook De Stem van Nederland het zwijgen heeft opgelegd.

Marcia Luyten is cultuurhistoricus, econoom en journalist. Ze schreef onder meer het boek Stadgist: vijf jaar broedplaatsen in Amsterdam.