'Ik ben kunstevangelist'

Veilinghuis Christie’s viert het veertigjarig bestaan. Chairman Jop Ubbens praat bij een tosti over kunst alsof het over tomaten gaat. ‘Wij zijn geen museum.’

Om sommige mannen hangt een zweempje negentiende eeuw. Schrijver Adriaan van Dis, journalist Jort Kelder, advocaat Piet Doedens. Ze zijn met zorg gekleed, welbespraakt, onderhoudend, voorkomend. De baas van Christie’s is ook zo’n man. Vijfentwintig jaar geleden begon Jop Ubbens (52) als stagiair bij het veilinghuis, nu is hij er chairman. Hij is visitekaartje én veilingmeester. De makelaar tussen kunstverkopers en kopers. Onder zijn hamer krijgen horloges, wijnen, schilderijen en meubels een andere eigenaar, die er, als Ubbens zijn werk goed doet, nét iets meer voor biedt dan hij van plan was. Want in het spel van loven en bieden, is Ubbens de verleider.

„Je houdt het meest van waar je het meest van weet”, zegt Jop Ubbens. Zijn expertise is de negentiende-eeuwse schilderkunst, vooral die uit de periode van de Romantiek (1820-1860). Al jaren verzamelt hij, samen met een vriend, excentrieke mannenportretten. „We sturen elkaar van waar ook ter wereld afbeeldingen en ansichtkaarten van dandy’s.” Fraai geklede fatten, geobsedeerd door uiterlijkheden en vol van maatschappijkritiek. Kijk ook even welk boek hij als favoriet noemt: À rebours van Joris-Karl Huysmans uit 1884, dé decadente roman van het fin de siècle, met een ziekelijke edelman als hoofdpersoon. „Je moet een lange adem hebben om bladzijden lang te lezen over zijn voorbereidingen voor een diner. Alles moet in het zwart. Het grind op het tuinpad vervangt hij door kolen, hij vult de vijvers met inkt, hij laat negerinnen uitsluitend zwarte gerechten serveren.”

Hoe eenvoudig is dan onze lunch. We eten weliswaar in restaurant Neva in de Hermitage, de Amsterdamse dependance van het Russische staatsmuseum, maar hij kiest niet de zacht gegaarde varkenswangetjes, geroosterde hertenrug en ook geen trio van cantharellen. Jop Ubbens eet niet graag te veel – hij is voetballer en hardloper – en kiest uit de sectie ‘hartige trek’ van de eenvoudiger lunchkaart de croque monsieur en brengt zelfs die terug tot wat het eigenlijk is. „Een tosti.”

Lichtgrijs pak met wit pochet, achterovergekamd witgrijs haar en lichtgevend blauwe ogen. Bijna verleiden zijn voorkomen en zijn voorkeuren me tot een vooroordeel. Nee, zegt Jop Ubbens nog voor ik het heb gevraagd, hij is géén homo. Hij is een van de weinige mannen in een vrouwelijke wereld. „Vandaag hadden we het er nog over op kantoor; bijna alle nieuwe museumdirecteuren zijn vrouw. De Kunsthal in Rotterdam, het Stedelijk Museum in Amsterdam, het Mauritshuis, Kröller-Müller.” Prima hoor, vindt hij.

Alfa

„Negatieve eliminatie” maakte dat hij kunstgeschiedenis ging studeren en afmaakte, als zeventiendejaars. Hij bedoelt dat hij niets anders kon. „Ik ben een alfa.” De mannen in zijn vaders familie werden jurist of dominee, die in zijn moeders familie Philips-bestuurder. Jop Ubbens vader werkte bij de NS. „Veertig jaar lang. Al die tijd heeft hij nooit een auto bestuurd. Hij had geen rijbewijs.” Alle vakanties uit zijn jeugd gingen over het spoor. „En altijd naar Italië. Hij las voor uit de boeken van Jaap ter Haar. Vertelde over Caligula en Caesar.” Van hem erfde hij de liefde voor kunst. „Hij was een antiekjager.” Koper, tin, eikenhouten meubels. „Niks waard. Maar hij vond het mooi.” En dat is, zegt Jop Ubbens, de enige goede reden om antiek of kunst te kopen. „Niet omdat het veel waard is of gaat worden. Kunst is geen aandeel. Het heeft alleen een hedonistisch rendement.” Jop Ubbens ziet zichzelf nog zitten, op de bank met zijn vader en zijn jongere broer. „Schaatsen op televisie en de drie jongens aan het poetsen. Zilver, tin en koper.”

In 1987, net toen hij bij Christie’s begon, werd ‘Zonnebloemen’ van Vincent van Gogh in Londen geveild voor 75 miljoen gulden. Een recordbedrag. „En vanaf dat moment was veilen booming.” Het veilinghuis was altijd een doorgeefluik voor antiquairs en handelaren. „Ineens kwamen er particuliere verzamelaars.” Het kon niet op, toen. „Mijn Warhol is groter dan jouw Rembrandt. Kijk mij eens veel betalen voor iets waar ik verder niks aan heb.” Die tijd is voorbij. „Maar wat goed is, blijft goed gaan.” Afgelopen jaar was het een na beste jaar voor Christie’s Nederland ooit. „Hoezo crisis?” Veertig miljoen euro omzet, en nog eens 40 miljoen export, dat is de opbrengst van de spullen die de Nederlandse Christie’s naar Londen, Parijs of Hongkong stuurt om te veilen. „We veilen onze producten waar ze het meeste opbrengen.” Twee negentiende-eeuwse Russische vazen, gevonden in Duitsland, gingen naar de Russische veiling van Christie’s Londen. Daar brachten ze 1,2 miljoen pond op.

Sotheby’s

Sotheby’s, het tweede grote Engelse veilinghuis naast Christie’s, is weg uit Nederland. Er werd te weinig omgezet in Amsterdam. Gek, want van Sotheby’s wordt juist gezegd dat daar de ‘businessmen trying to behave like gentlemen’ werken. De cultuur bij Christie’s is anders, daar zitten de gentleman trying to deal like businessmen. De mannen, bij voorkeur van adellijke afkomst, met het neusje nét iets hoger in de lucht. Jop Ubbens weet ook nog wel dat hij in Londen – dikke tapijten, kroonluchters, witty conversatie – zijn budget kwam verantwoorden, en dat de heren – allemaal Etonians – belangstellend vroegen of die jaarrekening soms zijn ‘lunchbill was. Maar die tijd is ook voorbij. „Door het wegvallen van Sotheby’s heeft Christie’s in Nederland er in 2011 misschien dertig, veertig procent aan kunstinbreng bij gekregen. De rest verdwijnt. Waarheen? Misschien naar de kleinere veilinghuizen. Dit jaar, 2012, wordt het eerste jaar dat we helemaal zonder Sotheby’s opereren. De veilingmarkt moet zich herijken.”

Nog eens vijf miljoen euro haalt Christie’s jaarlijks op met ‘charity sales’, veilingen voor goede doelen. „Je kunt natuurlijk gewoon een cheque uitschrijven voor Unicef of Orange Baby’s. Maar hoe leuk is het om er een feest van te maken?” Een groot gala, een diner. De gasten betalen voor hun tafel, Gerard Joling treedt op, „en ik, zei de gek”. De veilingmeester van Christie’s komt voor niks. „Voor ons is het branding. Naamsbekendheid bij grote groepen mensen. En je doet iets goeds met het trucje dat je kunt.” Globaal, zegt Jop Ubbens, wordt er geld ingezameld voor het milieu en (zieke) kinderen. Vorige week nog hamerde hij in het Hilton hotel 2,5 ton binnen voor de stichting van dirigent Jaap van Zweden. „Hij veilde zichzelf ook. Een vliegreis naar een Mahlerconcert van hem in New York bracht 20.000 euro op.”

„Ik kom na het hoofdgerecht. Best boring, tachtig procent van de zaal zit te kletsen en biedt niet mee. Het is aan mij de zaal mee te trekken.” In de meeste mannen zit wat wijn, en opgejut door vrouw, vrienden én de man aan de overkant van de tafel die ook biedt, haalt Jop Ubbens op zo’n avond met gemak in twee uurtjes zes ton binnen. „De tearjerker verkoopt altijd het best. Het schilderij dat de patiëntjes uit het Emma Kinderziekenhuis samen maakten.”

Wat hij doet, is everybody’s hobby, zegt Jop Ubbens. „Kunst is een emotioneel product. Vergelijk het met voetbal, daar heeft ook iedereen een mening over.” En op een veiling komen de emoties tot een hoogtepunt. „Het is de psychologie van het moment. Kunst wordt op twee plekken verhandeld. Op grote kunstbeurzen als Tefaf en de Art Fairs in Londen en Hongkong. En op veilingen. Vier kijkdagen en de vijfde dag toeslaan.” De spanning van de eerste dagen. De hoge verwachtingen. Zitten er sleepers bij? Kunstwerken die het veilinghuis te laag taxeerde en veel meer waard blijken te zijn. „Gebeurt niet vaak, maar toch één, twee keer per jaar.” Zijn er topstukken? Dat zijn de kunstwerken in uitstekende conditie, die belangrijk zijn in het oeuvre van de kunstenaar, en, heel belangrijk, niet te vaak verhandeld. „Kunst moet Marktfrisch zijn, zoals de Duitsers zeggen. Untouched.” Hij lacht er zelf om. „Alsof het over komkommers en tomaten gaat.”

Jop Ubbens likt aan zijn vingers en doet alsof hij iets schoon poetst. „Wij zijn geen museum. Bij ons komen de mensen kopen. Van een oude auto wil je ook weten of die het doet. Van een schilderij veeg je even een hoekje vuil van het vernis. Kijken hoe mooi het kan worden. Als je het te pakken kan krijgen. Dat is het avontuur.” En Jop Ubbens zal vanaf het rostrum de bieders omarmen en overreden, soms zacht, soms hard, om ze iets meer te laten bieden dan ze vooraf durfden. „Hebzucht kan de prijzen tot belachelijke hoogtes drijven.”

Klinkt kritisch, zoals Jop Ubbens over kunst en de kopers ervan praat. Niet kritisch, zegt hij. Relativerend, ja. Met een knipoog, ja ook. Maar hij neemt niks op de hak. „Ik ben oprecht geïnteresseerd in het verhaal van de ondernemers die met luxaflex en autobanden een fortuin hebben opgebouwd en dat bij ons spenderen aan kunst. Ze kunnen het namelijk ook niet doen.”

Nieuwe rijken die, gedreven door status en machismo, alles maar kopen, die zijn er nauwelijks meer. De kopers zijn weer, of nog steeds, hybride verzamelaars. Eclectisch. Een Papoea-schild boven een Louis Seize-stoel, dat werk. „Maar nu gebeurt het op niveau.” Retro-postmodernisme noemt hij het.

Kopers weten alles van kunst. Door internet. „De vraag is wat ons, de ‘experts’, eigenlijk van hen onderscheidt.” Nog meer kennis, nog meer ‘passie’, denkt Ubbens. „Vanmorgen werd er een Mondriaan bij ons binnengebracht. Niet zo één met strepen, maar een vroege uit 1905. Wat er dán gebeurt.” Na afloop van de lunch gaat hij er even naar kijken, ‘hillen’ noemen ze dat bij Christie’s, genoemd naar het Londense depot dat ‘uphill’ ligt.

De barbaren

Of ik De Barbaren heb gelezen, van Alessandro Baricco, over de teloorgang van ons cultuurbesef. Nee? Wat hij eraan heeft overgehouden is dat hij altijd de balans zoekt tussen weinig weten van veel, en ook juist heel specialistische kennis over één onderwerp vergaren. Storytelling, dat is belangrijk. Hij was met zijn vrouw – ook kunsthistoricus – zoon en twee dochter op een Grieks eiland. Pal tegenover Ithaka, waar de reis van Odysseus begon en eindigde. Zelf heeft hij geen gymnasium gedaan, zijn kinderen ook niet, helaas. „Maar dan lees ik ze voor uit de Odysseus-vertaling van Imme Dros. Het gaat om de beleving.” De taxateurs van Christie’s vragen altijd door als we stukken uit iemands boedel veilen. Van wie heeft u dat schilderij? Ah, van uw grootvader. Die was getrouwd met een nazaat van een Russische gravin. In-te-res-sant. Dát geeft zo’n schilderij waarde. Het verhaal erachter.”

Jop Ubbens mag de verhalen graag vertellen. „Ik ben een zendeling, een kunstevangelist.” En iedereen wil hem graag horen, zeker als hij zegt wat hij denkt dat het schilderij waard is dat ze in de slaapkamer hebben hangen, en of ze dat of dat kunstwerk nou moeten kopen of niet. Hij maakt zich geen enkele illusie, de meeste mensen kent hij qualitate qua. „Het is quid pro quo.” Voor wat hoort wat. Na mijn pensionering is tachtig procent van mijn adressenbestand me vergeten.” Niet erg. Zijn droom: hele dagen lezen. Bij de open haard, in zijn eigen bibliotheek, met de prachtigste boeken. „Maar wel esthetisch hè. Móói.” Niet zoals die bibliotheek in Het Loo, waar hij met Kerst was. Hij rilt. „Schrijnend.”