Haïti, dictatuur van de hulp

Van tentenkamp met dieven naar shelter zonder elektriciteit: de Haïtiaan heeft weinig baat bij de ngo’s die zijn land domineren, beschrijft Linda Polman.

‘Aardbeving’ is trembleman in het Haïtiaans Creools, maar die van 12 januari 2010 noemen de mensen koedoekoedoekoedoe. Hardop uitgesproken klinkt het als wat ze hoorden gedurende de 35 langste seconden van hun leven.

Volgens mijn boekje Creools op Reis zijn andere „essentiële termen voor communicatie” in het Haïti van na de aardbeving: ‘Is uw tent droog?’ (Eske tant ou sèk?), ‘U hoeft geen seks te hebben voor hulpvoedsel waar u gratis recht op hebt’ (Ou pa oblije kite moun fè bagay ak ou pou manje ou dwe resevwa gratis) en ‘Bent u suïcidaal?’ (Ou anvi touye tèt ou?)

Ondanks de hulp ziet de toekomst van Haïtianen er somber uit. Veel van de evaluatierapporten die de hulpgemeenschap publiceerde ter gelegenheid van ‘twee jaar aardbeving’ zijn gecomponeerd met een „politieke taal die leugens moet doen klinken als waarheden en […] aan wind de schijn van soliditeit moet geven”, om met George Orwell te spreken .

Vooral met de spectaculair gedaalde aantallen kampbewoners wordt goede sier gemaakt. Van de oorspronkelijk 1,5 miljoen aardbevingsslachtoffers die in tenten overleefden, zijn er een miljoen weg. Inderdaad. Maar slechts een geschatte 4 procent van de vertrekkers verhuisde naar een fatsoenlijk alternatief. Wie geluk had, werd uit de kampen gered door vrienden en familie in de diaspora. Veel meer werden bruut ontruimd door gewapende knokploegen en bulldozers van landeigenaren. Anderen hielden het er niet meer uit door de vele dieven, verkrachters en overstromingen. Tijdens Haïti’s heftige, maanden durende regenseizoenen is het niet ongebruikelijk dat mensen de nacht in hun ondergelopen tenten staand doorbrengen met hun kinderen in hun armen.

De housing solutions die hulporganisaties aan tentbewoners boden, heten ‘T-shelters’ (de T staat voor temporary) en zijn geen oplossing. In totaal 100.000 éénkamerhutten van spaanplaat en tenten van dik plastic werden in gelid op rotsachtige vlaktes in het aardbevingsgebied geparkeerd. In de zogenoemde planned communities die ik bezocht moesten duizenden, soms tienduizenden mensen de schaduw van één boom delen. Waterpompen zijn er schaars, elektriciteit is er niet en schooltjes, klinieken of winkeltjes maakten van de ‘oplossingen’ geen deel uit. Zonder plan of doel zitten mensen in hun verstikkend hete dozen gaar te stoven.

Een paar honderd miljoen euro kostte het programma voor T-shelters. Het zou veel goedkoper zijn geweest om mensen te helpen hun beschadigde huizen te repareren – 90.000 huizen kunnen waarschijnlijk weer bewoonbaar worden gemaakt – maar volgens de Internationale Federatie van het Rode Kruis (IFRC) gaven hulporganisaties de voorkeur aan T-shelterprogramma’s. Die zijn zichtbaarder voor donoren en dat is belangrijk op de competitieve hulpmarkt.

De eerste T-shelters zijn inmiddels alweer toe aan een opknapbeurt, maar daar is geen geld voor.

Dat de helft van alle aardbevingspuin inmiddels opgeruimd zou zijn, zoals hulporganisaties rapporteren, is ook Orwelliaans uitgedrukt. Veel van wat aanvankelijk als ‘puin’ werd meegeteld, is weer ‘huis’ geworden. Mensen die uit kampen verdwenen, kunnen vaak worden teruggevonden in gebouwen die in de aardbeving rechtop bleven, maar elk moment alsnog kunnen instorten.

Een half miljoen mensen leeft nog steeds in treurigstemmende tentenkampen. Tussen het geflapper van stuk gewaaide tentzeilen scharrelen peuters, honden, kippen en ratten. Transistorradio’s blèren en de stank van rook en urine hangt zwaar tussen de op elkaar gepropte onderkomens. Voor sommigen is een gratis tent beter dan een krot in de stad dat net zo beroerd is, maar waar ze huur voor moeten betalen. Bijkomend probleem is dat huren in Port-au-Prince bijna altijd een jaar vooruit betaald moeten worden. Mensen hebben die 300 tot 500 dollar niet en hulporganisaties geven geen of nauwelijks huursubsidies, mede om de onzichtbaarheid ervan voor donoren.

Ngo’s zetten waterleveranties aan de kampen inmiddels stop en toiletten repareren ze nog maar zelden. Driehonderd van de achthonderd overgebleven kampen hebben überhaupt nooit toiletten gehad. Mensen ontlasten zich in plastic zakjes. De toilethokken die nog bruikbaar zijn, worden ieder door gemiddeld 300 mensen gedeeld; twintig mensen per toilet is het aanvaarde maximum in de internationale hulpstandaarden.

Vanaf oktober 2010, toen cholera uitbrak, knalde het aantal besmettingen in 365 dagen van nul naar een half miljoen; 5 procent van de bevolking. Meer dan zevenduizend mensen stierven, terwijl ngo’s miljoenen besteedden aan voorlichtingscampagnes. Radioprogramma’s en affiches drukten mensen op het hart hun handen goed te wassen, maar tegelijkertijd verminderde het aantal kampbewoners met toegang tot naar chloor geurende hand washing stations van een magere 20 naar een schamele 12 procent. Het aantal kampbewoners met toegang tot schoon drinkwater daalde van 48 naar 7 procent en het aantal ngo’s dat cholera behandelde van 128 naar 40.

Het is niet eens zozeer dat alle hulpgeld voor Haïti werd verspild, analyseert het Amerikaanse Center for Economic and Policy Research (CEPR) dat de hulp aan Haïti monitort. „Veel ervan is gewoon niet uitgegeven aan wat nodig was.”

Veel ervan is überhaupt niet uitgegeven. De uitbetaling van de door donoren beloofde 5,6 miljard dollar voor de eerste twee jaar stokte bij ongeveer de helft van dat bedrag. Veel dáárvan bleef tot nu toe hangen op de bankrekeningen van internationale ngo’s, de Wereldbank, de VN en de Inter-American Development Bank.

Wat er gebeurd is met de andere geldstroom, de naar schatting 3 miljard dollar in donaties aan de favoriete hulporganisaties van meelevende Amerikaanse en Europese burgers, is nog veel mysterieuzer. Een gezamenlijke administratie houden de organisaties er niet op na, dus bedragen moeten bij alle hulporganisaties afzonderlijk bijeen worden gesprokkeld, maar aid watchers schatten dat 40 procent niet besteed is.

Hulporganisaties schuiven kritiek op gebrek aan blijvende resultaten weg: de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de toekomst van Haïti ligt immers niet in hun handen – dat zou kolonialisme zijn – maar in die van de Haïtiaanse overheid. Die moet van schoon water en riolering prioriteiten maken en zorgen dat de trieste planned communities zich ontwikkelen tot leefbare woonwijken.

Hoe, dat zeggen de organisaties er niet bij. Een kleine fractie van de internationale hulpfondsen ging naar de regering. Haïti’s overheid hangt blut en besluiteloos rond in tenten op het gazon van het ingestorte (en ook nog steeds niet geruimde) presidentiële paleis in Port-au-Prince.

Veel hulporganisaties die je vandaag in Haïti ziet, werken er al dertig tot veertig jaar. Ze stichtten een eigen ngo-republiek, een parallelle staat die oneindig veel rijker en machtiger is dan de échte regering.

Sinds heugenis is de Haïtiaanse overheid voor tenminste 70 procent afhankelijk van westerse donoren en zijn het westerse hulporganisaties die de hulpmiljarden bestemmen en besteden. Maar alleen aan wat zij nodig vinden: aan het helpen opbouwen van een functionerende overheid is weinig of geen geld en energie besteed. Erger nog: ieder Haïtiaans talent wordt van de publieke sector naar de veel beter betalende ngo-republiek gelokt. Het volk is voor zijn toekomst overgeleverd aan een overheid op F-niveau, van lieden die slecht opgeleid, zwaar onderbetaald en daardoor corrupt zijn.

Zo houdt hulp Haïti gevangen in een akelige Catch 22: iedereen is het erover eens dat in de afgelopen decennia had moeten worden geïnvesteerd in professionalisering en versterking van de overheid om Haïti een onafhankelijke toekomst te geven, maar zij die de investering zouden kunnen doen, doen het niet omdat de Haïtiaanse overheid te onprofessioneel en zwak is om je investering aan toe te vertrouwen.

Ook na de aardbeving werken donoren en hulporganisaties waar ze kunnen om de vermaledijde overheid heen. Van de geschatte 13.000 ngo’s in het land namen er slechts 561 de moeite om zich bij het Ministère de la Planification et de la Coopération Externe te melden. 150 daarvan leverden een jaarverslag in.

De klok voor Haïti tikt. De aardbevingsdonaties drogen op. Van wat er over is, gaan tientallen miljoenen euro’s op aan salarissen, toeslagen op salarissen, Landcruisers, vliegtickets, huur van huizen en opslagplaatsen en kantoorinrichtingen. Als de hulpgemeenschap nog wezenlijk iets voor de toekomst van Haïti wil verbeteren door de Haïtiaanse overheid in staat te stellen verantwoordelijkheid te nemen, dan is er geen moment meer te verliezen.

De voortekenen zijn niet gunstig. Internationale hulp-VIP’s die binnenvlogen voor de herdenking van de aardbeving werden langs friswitgekalkte openbare gebouwen vervoerd. Geld was vrijgemaakt om alle boze en verdrietige graffiti tegen de tenten, de ngo’s en de cholera onzichtbaar te maken.

Linda Polman is journalist. Ze schreef onder meer het boek De crisiskaravaan.