Farao's regeren Egypte nog altijd

Archeologie Voor de sfinxavenue werd een minaret in Luxor opgeofferd. Mag je zo het ene erfgoed boven het andere stellen?

Theo Toebosch

Een foto toont een slanke toren. “Deze minaret is uit het jaar 900. Een van de oudste van Egypte”, zegt Christian Greco, conservator van de Egyptische collecties in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. De foto is een van de weinige tastbare overblijfselen, want de minaret heeft plaats moeten maken voor ander, ouder erfgoed. Greco: “Het stadsbestuur heeft besloten om van een groot deel van Luxor een openluchtmuseum voor het faraonisch erfgoed te maken.” Een van de doelen is de restauratie van de 2,7 kilometer lange sfinxenavenue, de processieweg die ten tijde van farao Nectanebo I (380-362 voor Christus) de tempels van Karnak en Luxor met elkaar verbond.

Maandag was Greco een van de sprekers op het internationale symposium ‘Sites in the City’, georganiseerd door het Rijksmuseum van Oudheden en de Nationale UNESCO Commissie om aandacht te krijgen voor erfgoedkwesties in steden. Ook in andere steden speelt namelijk de vraag wat wel te bewaren en wat niet – of heeft die vraag gespeeld. De grote boulevards in Parijs zijn nu bijvoorbeeld populair, maar daarvoor is wel de middeleeuwse stad met de grond gelijk gemaakt. En waar je in een stad als Athene struikelt over het archeologisch erfgoed, is daarvan in Amsterdam niets te zien. De grond leent zich er niet voor om bijvoorbeeld opgegraven muurresten blijvend te tonen. Wel kan het een idee zijn om archeologische resten virtueel zichtbaar te maken.

Luxor is een schoolvoorbeeld van een stad die worstelt met de vraag in hoeverre het in ere herstellen van archeologisch erfgoed ten koste mag gaan van jonger, maar ook zeer waardevol erfgoed – en Greco heeft die worsteling van nabij meegemaakt.

Luxor, een stad met meer dan 400.000 inwoners 650 kilometer ten zuiden van Kaïro, ligt bovenop de resten van Thebe, de vroegere hoofdstad van Egypte tijdens de farao’s. Greco werkt er sinds 2006 twee maanden per jaar mee aan een project van het onderzoeksinstituut Chicago House, dat al negentig jaar voor het Oriental Institute van de Universiteit van Chicago epigrafisch onderzoek in Luxor doet. “We leggen de kilometers lange inscripties in de kleine Amontempel van Thoetmosis III (1479 -1425 v. Chr.) vast”, vertelt hij.

Hiërogliefen

De onderzoekers van het Chicago House hanteren een eigen methode, vertelt Greco. “Eerst maken we een grote foto. Daarna vergelijken we de foto ter plekke met de originele inscriptie. Eerst zie je alleen beschadigingen, maar vervolgens ontdek je lijnen van gezichten, lichamen en hiërogliefen, die op de foto niet goed zichtbaar zijn. Met potlood tekenen we die op de foto. Daarna worden de tekeningen geïnkt. Via een speciaal procedé wordt de foto gewist en wordt het geheel in kleine porties gesneden en op een zogenoemd collation sheet geplakt. Twee andere egyptologen vergelijken onafhankelijk van elkaar nog een keer de tekeningen met het origineel. Pas als hun aanpassingen en opmerkingen zijn verwerkt wordt een definitieve tekening gemaakt.”

Het hele proces kost twee jaar, voegt Greco toe: “Maar dan hebben we wel een tekening die zo accuraat als menselijk mogelijk is. Mocht een tempel instorten, dan kunnen de tekeningen voor altijd als vervanging van de originele inscripties dienen.”

In de geest van grondlegger James Henry Breasted, die het Egyptisch erfgoed met non-destructieve manieren wilde vastleggen, besloot zes jaar geleden Ray Johnson, de huidige directeur van het Chicago House, om voor het te laat was ook ander, later Egyptisch erfgoed vast te laten leggen. Twee fotografen van het onderzoeksteam, Sue Lezon en Yarko Kobylecky, kregen de opdracht de stadspaleizen, moskeeën, huizen en Koptische kerken – voornamelijk uit de late 19de en vroege 20ste eeuw – te documenteren voor ze plaats moesten maken voor het openluchtmuseum.

Volgens het stadsbestuur was de ontwikkeling van het gebied nodig om de archeologische monumenten uit de tijd van de farao’s beter tegen de alsmaar groeiende stad en verval te kunnen beschermen. Verder wilden ze het gebied beter voor toerisme ontsluiten. Het probleem speelt al decennia, vertelt Greco. “In de jaren veertig zijn er al plannen geweest om mensen die tussen de graven op de westoever van de Nijl woonden elders te huisvesten. Nu hebben ze wel een heel rigoureuze oplossing gekozen. Met bulldozers is alles wat modern was tegen de grond gewerkt. Bewoners in de huizen bij de oude dodenstad aan de overkant van de Nijl kregen maar een paar uur de tijd om hun spullen te pakken.”

De lokale bevolking raakte zo in één keer zijn directe verleden en oude sociale structuren kwijt. “Een van onze Egyptische arbeiders vertelde huilend dat hem de geschiedenis van zijn overgrootvader en grootvader was ontnomen.” Met het verleden dat ze er voor terugkrijgen, heeft de lokale bevolking geen echte band. “Voor sommige Egyptenaren blijven de farao’s heidenen. In hun ogen zijn de archeologische resten er vooral voor de buitenlandse toeristen.”

Wirwar van tijden

Het stadsbestuur heeft gemeend het ideaalbeeld dat toeristen van Egypte hebben te moeten creëren: het Egypte van de farao’s, met feloeken (zeilschepen) op de Nijl. De meeste internationale toeristen schijnen de wirwar van naast elkaar zichtbare tijden niet te kunnen waarderen. Verder willen ze geen huizen tussen de oude tempels en graven en willen ze niet lastig gevallen worden door lokale Egyptenaren. Greco: “Om deze toeristen ter wille te zijn nam het stadsbestuur zelfs het neokoloniale besluit om een apart treinstation voor de toeristen te bouwen en een aparte veerdienst in te stellen, maar dat is teruggedraaid.”

De sloop is gepaard gegaan met zorgvuldige opgravingen. Alleen vielen de resultaten voor het stadsbestuur een beetje tegen: er werden minder gave sfinxen opgegraven dan verwacht. In maart gaat het eerste deel van de sfinxenavenue open, maar door de revolutie ligt de rest nu even stil. “Je ziet ook dat vroegere bewoners terugkeren en hun oude plekken terugclaimen door muurtjes te bouwen.” Greco maakt zich voorlopig geen zorgen over de salafisten, die veel stemmen krijgen in de lopende verkiezingen en die plannen hebben om heidense en aanstootgevende faraonische monumenten af te dekken. “Ze krijgen nooit de Moslimbroederschap achter zich en dus nooit de meerderheid.”

Zelf rest Greco voorlopig alleen nostalgie over wat verdwenen is: de muurschilderingen over de hadj, de bont geschilderde huizen in Gurna, het dorp in de dodenstad, statige woonhuizen met houten balkons, theehuis Moonhouse, waar hij zijn thee dronk, de boekwinkel van meneer Francis, waar vele buitenlandse egyptologen hun boeken kochten en vier van de veertien negentig jaar oude palmen die de zuilenhal van de Luxortempel symboliseerden, omdat het Chicago House een deel van zijn voortuin heeft moeten opgeven. En natuurlijk de minaret. “Onze directeur had het voor elkaar dat hij toch behouden zou blijven, maar door de omringende sloopwerkzaamheden is hij ingestort.”