De romantiek van de uitverkoop

Psycholoog Ellen de Bruin verklaart de aantrekkingskracht van de sale. ‘De uitverkoop bevat alle klassieke elementen van een romantisch verhaal.’

Ik wil een nieuwe tas. Of schoenen. Het ultieme vest. Een jurkje, liefst een dat doet vermoeden dat de zomer er weer aan komt, is het niet snel dan toch ooit. Ik wil iets onverwachts, iets waarvan ik pas weet dat ik het wil als ik het zie. Ik wil, kortom, naar de uitverkoop. Het kan nog net. Maar het kan niet. Ik moet werken.

Ach, de magie van de uitverkoop. Wat lonkt er dan toch, vragen veel mensen (meestal mannen) zich af. Het is niet wat ze denken. Het is niet louter dat de dingen dan goedkoop zijn, al is dat natuurlijk mooi meegenomen in deze tijden van dalende koopkracht en stijgende lasten (‘knolraap en lof, schorseneren en prei’, zou drs. P. zingen). Nee, die massa-afprijzing is in dit geval slechts wat scriptschrijvers een inciting incident noemen: datgene wat een verhaal in gang zet. En daarmee hebben we meteen de essentie van de uitverkoop te pakken. Die is dit: de uitverkoop is een verhaal met jezelf in de hoofdrol. Een romantisch verhaal dat alle klassieke verhaalelementen bevat. Een Queeste, dat is het, niet meer en niet minder. En je hebt nog geen idee of je verhaal goed gaat aflopen.

Niets om aan te trekken

Het begint thuis, waar je in je oude kloffie op de bank zit, bijvoorbeeld met je laptop op schoot. Je komt erachter dat het uitverkoop is. In je hoofd en hart vormt zich een abstract verlangen. Je moet naar buiten, op zoek naar het Object dat dat verlangen kan bevredigen, al heb je nog geen idee wat het is. Het is niet de Heilige Graal zelf, maar het is vergelijkbaar.

Het punt is – en het is toch maar het beste om dit uit te schrijven, hoe gênant het ook is – dat je aan het begin van het verhaal niemand bent. Je bent op zijn best middelmatig. Dat heb je met die afgeragde spullen van je en, laten we eerlijk zijn, helemaal niets om aan te trekken. Maar buiten, in de wereld, bevindt zich dus dat Object, dat perfect is, transformerend ook, een object dat alles goed kan maken. Als je daar maar de hand op weet te leggen, dan ben je ineens iemand anders. Een beter mens, tegen het volmaakte aan, klaar voor een nieuw leven. En ja, het is een afgeprijsd object, iets goedkoops, maar dat is juist prachtig. Het zou verkeerd zijn om veel geld uit te geven aan zo’n transformatie van je hele wezen – transmutatie, zouden alchemisten zeggen.

Misschien gaat het niet om één, maar om meer objecten, misschien ook niet – het is hoe dan ook zaak ernaar op jacht te gaan. Er staat heel veel op het spel. En je hebt maar een beperkte tijd om het te vinden. Ook weer zo’n klassiek verhaalelement: in films is er dan vaak een tijdbom gezet, of is precies bekend wanneer die ene komeet inslaat. Zo is het ook met de uitverkoop: die is op een bepaalde dag gewoon afgelopen. Als je dan niets hebt gevonden, houdt alles op.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de concurrentie. Je bent niet de enige die naar het Object op zoek is. Talloze vrouwen trippelen verbeten door de stad, sommigen hebben zelfs jouw maat! Anderen hebben hun man meegenomen, als extra paar ogen, of – nog erger – een vriendin. Je ziet soms zo’n vrouw het laatste item in zijn soort uit een rek of van een plank trekken, terwijl je zo ziet dat het haar noch haar vriendin zal staan. Wat dan te doen: dit behulpzaam meedelen, sarcasme of cynisme inzetten, huilen, schreeuwen, geweld gebruiken, superieur weglopen? Wat je doet is belangrijk, want het verraadt je ware aard, in het verhaal, en beïnvloedt vast het verloop.

Het kan trouwens nog erger. En het wordt ook altijd erger, daar is het een verhaal voor – daarin moet de held steeds moeilijker problemen het hoofd bieden, totdat zij sneuvelt of overwint. Zoals de valse verkoopster die beloofd had het laatste shirtje weg te hangen, maar als je bij de winkel komt heeft ze het toch verkocht. De meewinkelende vriendin die zo lang wil koffiedrinken dat het bijna sluitingstijd is eer je weer verder kunt. En bij wie daarna ook nog dat ene jurkje, waar er natuurlijk maar een van is, beter staat dan bij jou. Dat is nu eenmaal zoals de dingen gaan, in een verhaal.

Uiteindelijk komt de held helemaal aan de grond te zitten. Ook financieel, want natuurlijk heb je tussendoor allemaal dingetjes gekocht om niet met lege handen thuis te hoeven komen, dingetjes waarvan je hoopt dat ze helemaal geweldig zijn als je ze weer uit de tas haalt, maar die je nu diep onderin hebt gestopt omdat je eigenlijk ook wel weet dat ze niet hét Object zijn.

Dit is het moment waarop je het liefst in de goot zou gaan zitten met je tassen vol onnutte spullen – maar je kunt dat moment ook gebruiken om je af te vragen: is er eigenlijk onderzoek gedaan naar wat er gebeurt als er ineens een verlangen in mensen opkomt, bijvoorbeeld een verlangen naar een perfect Object (of om zomaar geld uit te geven). Geven ze daar altijd aan toe? Wat doen ze als ze in conflict komen met zichzelf?

En het antwoord is: daar is heel weinig onderzoek naar gedaan, maar wat er is gedaan is heel recent. Twee Amerikaanse en twee Duitse psychologen vroegen zich onlangs simpelweg af: hoe vaak willen mensen nu eigenlijk iets? En doen ze het dan? Ze gaven 137 vrouwen en 71 mannen uit Würzburg een Blackberry mee die zeven dagen lang zeven keer per dag piepte en zo ongeveer vroeg: ‘wilt u nu iets? wat dan? probeert u het te weerstaan? lukt dat?’

Eten, drinken of slapen

Vorige maand zetten de onderzoekers hun wetenschappelijke artikel online bij Journal of Personality and Social Psychology. Wat bleek: mensen wilden gemiddeld de helft van de tijd iets, en in nog eens een kwart van de gepiepte gevallen hadden ze net daarvóór iets gewild. Meestal wilden ze eten, drinken of slapen – geld uitgeven kwam pas op de veertiende plaats, slechts 1 op de 45 verlangens had daarmee te maken. Mensen probeerden gemiddeld op 40 procent van hun verlangens niet in te gaan. Dat lukte tamelijk vaak: zelfs een kwart van de verlangens die ze zelf ‘onweerstaanbaar’ noemden – de onderzoekers geven er helaas geen voorbeeld bij – wisten ze met wat moeite nog te weerstaan. Als er andere mensen bij waren, deden mensen minder vaak wat ze wilden, behalve als die andere mensen precies dat deden wat ze zelf ook wilden – dan gingen ze het ook doen.

En mensen verschillen, dat bleek natuurlijk ook. Sommige mensen vinden dat ze overal recht op hebben – die doen gewoon wat ze willen. Perfectionisten hebben het juist wel moeilijk met zichzelf. En mensen met veel zelfcontrole juist weer niet: die weten zichzelf heel goed weg te houden uit situaties waarin ze in de verleiding zouden kunnen komen.

Wat mij tot nu toe ook best is gelukt. Ik moest immers werken. Maar nu is dit stuk af en nu ga ik toch nog even naar de winkels. Het is niet bijna vijf voor twaalf, het is bijna vijf voor zes – alles gaat zo sluiten. Maar ik ga nog snel op zoek naar dat éne dingetje dat mijn hele leven gaat veranderen. Ik voel dat het gaat lukken.