'De derde mortierinslag. Gilles is dood'

In Syrië, net na de aanslag, sprak de Nederlandse fotograaf Steven Wassenaar zich niet uit. Terug in Parijs beschuldigt hij het regime.

Esther Rosenberg

Er zijn zó veel aanwijzingen, zegt de Nederlandse fotograaf Steven Wassenaar. Hij is weer terug in zijn woonplaats Parijs. Hij weet het zeker. Hijzelf en de andere verslaggevers zijn deze woensdagmiddag net na 15.20 uur in de Syrische stad Homs door de regering van dat land in de val gelokt. Er was een aanslag. De Franse journalist Gilles Jacquier kwam om. Wassenaar raakte gewond. De granaatscherf bij zijn linkeroog liet hij gister verwijderen.

Wat deden jullie in Syrië?

„We waren er op uitnodiging van een christelijke organisatie. Ze wilden ons laten zien dat het wel meeviel in het land. Dat je er gewoon kon demonstreren. Maandagavond kwamen we aan, in Damascus. De volgende ochtend zouden we naar Homs gaan. We waren met een groep van 17 journalisten en fotografen. Dinsdagochtend kregen we te horen dat we in het hotel eerst naar een toespraak van president Assad moesten kijken. Die zei, als de vertaling klopte: ‘Buitenlandse journalisten zijn uit op de vernietiging van Syrië.’ Er was toen al een scheiding in de groep ontstaan. Journalisten uit Polen en Rusland die zeiden dat het wel meeviel met die vrijheid in Syrië. En wij, die daaraan twijfelden. De groep die de volgende dag naar Homs mocht gaan, bestond enkel uit twaalf westerse kritische journalisten.”

Is dat verdacht?

„Ja. Het is alles bij elkaar. Luister. Er was niets in Homs. Lege straten. Een dode stad. We werden voorgegaan door een auto van het regime en kwamen terecht in een Alawietenwijk, van de groepering waartoe Assad behoort. De winkels waren open. Bewoners liepen op straat. Er was een demonstratie van zo’n vijftien kinderen. Het was zó geforceerd. Het waren geen bewoners. Dat zag je. De manier waarop ze stonden en keken. Die harde koppen. Die blik. En daaromheen: allemaal louche types. Je moet daar naar toe, zeiden ze, daar is een bom op een school gegooid. We lachten, we geloofden er niets van.”

Maar jullie gingen.

„Ja, allemaal. We waren met ervaren oorlogsverslaggevers. VRT, AFP. Eén van ons had drie jaar een bureau in Bagdad gerund. We gaven het initiatief uit handen. Noem het kuddegedrag.”

En, was er een school?

„Er was niets waar we aankwamen. Een straat, wat gebouwen, een muur. Geen kogelgat. Geen tape op de ramen – dat is wat mensen doen bij mortierinslagen, na de klap blijft het glas bij elkaar. Er was geen doelwit. Geen reden voor een aanslag. En net toen wij er kwamen – boem! De eerste mortierinslag. ‘Jullie moeten dat gebouw in’, zeiden de mannen. Op elke hoek stond iemand die ons een kant op wees. Ineens wisten we dat we er weg moesten. We gingen het gebouw weer uit. Tweede mortierinslag. We renden een ander gebouw in. Ik passeerde Gilles bij de ingang. Ik maakte nog foto’s van hem. Derde mortierinslag. Gilles is dood. Er zijn dan geen veiligheidsmensen meer te bekennen. Gilles’ vertaalster staat een meter achter hem en krijgt een inslag in haar been. Ik weer twee meter achter haar. Een afschuwelijk gegil, overal. Er zijn een vierde en vijfde inslag geweest, die heb ik niet meer gehoord.”

Hoe kwam je er weg?

„Met een collega ben ik gevlucht. We belden direct naar de ambassade. ‘We worden aangevallen’, zeiden we. ‘Door het regime’.”