Albatros heeft wind mee

Mensen ruziën over de vraag of hun fabrieken en auto’s het klimaat van de wereld veranderen. En hoe erg dat is voor de natuur. Want veel wilde dieren wordt het nu al te warm onder de voeten, of te nat of te droog. Maar sommige dieren hebben niets te klagen over vreemde weersveranderingen.

Zo hoor je albatrossen niet mopperen. De grootste soort, de fantastische reuzenalbatros, leeft vooral boven de Stille Zuidzee, boven de Zuidpool. Die grote vissers zweven daar op de wind. Dagenlang, wekenlang, maandenlang, zonder voet aan wal te zetten. Eigenlijk léven ze van de wind. Want daardoor kunnen ze, eindeloos zwevend op hun reuzenvleugels boven zee, van de ene goede visplek naar de andere komen. Of vol voedsel even naar huis gaan, naar hun geduldige jong op het nest.

Je raadt het al. Zelfs boven de Zuidzee is het weer aan het veranderen. De wind is de wind niet meer. Hij is daar de laatste tien jaar extra sterk opgestoken. Het stormt er steeds vaker en harder. En de albatrossen? Die zijn daar helemaal vóór.

Onderzoekers volgen al veertig jaar heel precies de vogels van een klein eiland. En de laatste tien jaar gaat het die vogels opeens voor de wind, schrijven ze in het vakblad Science.

Op de helft van de reis hebben ze tegenwoordig een stevige extra duw in de rug. En die andere helft? Extra sterke tegenwind is voor albatrossen ook niet erg. Dat is het mooie van hun manier van vliegen. Ze gebruiken tegenwind om goed hoogte te winnen, als een vlieger - en zoeven dan in andere richtingen weer naar beneden, met wel 150 kilometer per uur. Zo draaien ze spiralen of achtjes. Heen en terug. Maar bij elkaar genoeg om toch snèl vooruit te komen.

Hun jongen varen er wel bij. Ze zien hun altijd reizende moeders nu veel vaker even langskomen.

Frans van der Helm