Van 'prietpraat' via 'multiculti-onzin' naar 'wanvertoning'

Het begon met een uithaal naar prinses Máxima, in september 2007. „Goedbedoelde politiek correcte prietpraat”, zei PVV-leider Geert Wilders over een speech van de kroonprinses. Bij de presentatie van een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) had Máxima gezegd dat dé Nederlander niet bestaat. Daar reageerde Wilders, die toen nog een partij van negen Kamerleden aanvoerde, stevig op. Dat was opmerkelijk: politici hadden zelden kritiek op leden van het Koninklijk Huis.

Maar Wilders dus wel. Hij reageerde nog harder op de WRR zelf. De raad betoogde in het bewuste rapport dat het hebben van een dubbele nationaliteit de integratie niet belemmerde, maar die zelfs kon versterken. „Een club van wereldvreemde mensen.” Daarna volgden nog vele aanvallen op instituties, op de rechterlijke macht, op de Raad van State, op kabinetsformateur Tjeenk Willink, op de Eerste Kamer, op de publieke omroep.

En dus op de monarchie. Wilders reageerde kritisch op drie kersttoespraken, die van 2007, die van 2010 en die van drie weken geleden. Beatrix zei in 2007: „Grofheid in woord en daad tast de verdraagzaamheid aan. In zo’n sfeer worden mensen al snel als groep over één kam geschoren en worden vooroordelen als waarheid aangenomen. Discussies ontaarden in verharde verhoudingen.” Wilders’ reactie: „Multiculti-onzin” En: „De PVV komt in de hele tekst niet voor, maar iedereen begrijpt wel op wie ze doelt.”

Het bleef niet bij harde woorden. Wilders gaf concreet, politiek gevolg aan zijn aversie tegen de koningin én tegen een onderdeel van ons staatsbestel: de PVV kondigde in april van vorig jaar aan met een initiatiefwet te komen om de Koning uit de regering te halen. Het voorstel wacht nu op een advies van de Raad van State.

Met zijn strijd tegen Beatrix en koningshuis leek Wilders een groot electoraal risico te nemen. Jarenlang was kritiek op het koningshuis voor politieke partijen net zo’n groot taboe als beginnen over de hypotheekrenteaftrek. Een partij als de SP, bijvoorbeeld, zwakte in de loop der jaren het republikeinse standpunt af. Nu luidt dat: het staatshoofd zou gekozen moeten worden, maar omdat veel Nederlanders veel waarde aan het Koninklijk Huis, moeten „politici zorgen dat de monarchie past in onze democratie”. Ofwel: we zijn eigenlijk tegen maar maken er niet zo’n groot punt van.

Wilders koos sinds 2007 dus wel voor een harde, duidelijke lijn. Hij schatte in dat ook zijn achterban de invloed van een niet gekozen staatshoofd wil terugdringen. Dus blijft hij reageren als de koningin in zijn ogen politieke uitspraken doet, of op een andere manier politiek bedrijft, zoals met het dragen van een hoofddoek. Dat deed hij zondag, toen hij de hoofdbedekking van de koningin in een moskee in de Verenigde Arabische Emiraten „een wanvertoning” noemde. Gisterochtend was er weer zo’n moment, toen de koningin inging op de kwestie en het „echt onzin” zei te vinden dat een hoofddoek in Oman een teken van vrouwenonderdrukking is. Maar nu legt Wilders verzoeken om commentaar naast zich neer. Hij heeft deze week zijn punt al gemaakt.