Schaamlip of boomblad?

De kop ‘Lofzangen op tietjes en oren (Boeken, 23-12-11) nodigde mij uit tot het lezen van De bespreking door Guus Middag van 100 erotische gedichten uit de wereldliteratuur, samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. Voor de recensent was het meteen raak met een gedicht van Dioscurides, vertaald door Paul Claes.

Ik kon me dat voorstellen en besloot het origineel er bij te pakken: het betreft de Griekse Anthologie V.55. Inderdaad een prachtig gedicht. Alle lof voor de vertaler schrijft Middag, maar met een vertaling heeft Claes’ weergave niets te maken. Het is een vrije, fraaie bewerking van een minstens zo fraai origineel.

Doris met haar roze kontje wordt in de vertaling een bloem waarin de ik verzinkt. De ogen van Doris tijdens haar orgasme worden vergeleken met trillende boombladeren. Claes passeert deze vergelijking en zit dus met die bladeren in zijn maag. Welnu dat worden dekblaadjes, die vervolgens bij Middag weer de kleine schaamlippen worden.

Dit past bij Claes’ werkwijze. Hij noemt zijn vertalingen een omdichting die de illusie van een origineel tracht te scheppen, waarbij hij zich opzettelijk grote vrijheden veroorlooft. Zo hoopte hij, in de epiloog van zijn De Griekse Liefde, hier en daar een lezer te verleiden het origineel erbij te pakken.

Het is hem gelukt. En om de nieuwe bloemlezers te helpen in hun strijd tegen, wat zij noemen, de neopuriteinen zal ik Dioscurides in mijn gymnasiumklas gaan lezen.

H.A. Ruiter (classicus/neerlandicus), Zutphen