Jacques Gans

In café Scheltema kwamen we te spreken over Jacques Gans, uitvinder van het woord „staatsruiveniers” en hoe wij hem daar destijds meden als de pest, want we vonden dat je niet in De Telegraaf mocht schrijven en hij zeker niet, met zijn verleden als dwarse bohémien. Een schoolvoorbeeld van een renegaat, meenden wij. Een cordon sanitaire, dat destijds doorbroken werd door Henk Hofland, die gewoon bij hem ging zitten om naar de kleurrijke verhalen van deze man te luisteren. Later schoven anderen schoorvoetend aan, nu het mocht van Henk.

In een ander café was ik getuige van een vermakelijk voorval. Jacques Gans zat daar, met een glas bier voor zich, toen de dichter Fred Portegies Zwart aan zijn tafel ging zitten. Die had er aardigheid in mensen net zo lang te sarren tot ze er op los sloegen, een merkwaardige vorm van masochisme. „Ach, meneer Gans,” zei hij pesterig, „vertelt u nog eens van die vlag die u hebt neergehaald.” Doelend op een revolutionaire daad uit diens jonge jaren. Jacques had onmiddellijk door dat hij in de maling werd genomen, nam zijn glas bier en goot het zwijgend leeg boven het hoofd van Fred. Die liet zich niet uit het veld slaan, schoof druipend nog dichter naar Jacques toe en begon opnieuw: „Toe nou, meneer Gans, hoe ging dat nou met die vlag?” Gans had inmiddels met een handgebaar een nieuwe pils besteld en goot de inhoud weer over Freds hoofd. Dit had nog geruime tijd kunnen duren als niet een behulpzame vriend de natte dichter met zachte hand had weggevoerd.

Jacques Gans was dol op Vlieland, hij bracht er niet alleen zijn vakanties door, hij zat er vrijwel ieder weekend. Zijn liefde ging zover dat hij op een dag een graf kocht op Vlieland. „Heeft-ie daar een graf gekocht?” vroeg de met hem bevriende cellist Joep Vogtschmidt en voegde er begripvol aan toe: „Zeker voor de weekends?”