Intieme theatertover in een orkestbak vol met water

Bij De Nederlandse Opera ging gisteren Stravinsky’s ‘Nachtegaal en andere fabels’ in première: een betoverende mix van theatertechnieken uit Azië en westerse muziek.

Hoe interessant kan een ontmoeting tussen oriëntaals schaduw- en poppenspel en westerse opera zijn? Je bent geneigd te denken: matig. Tot je De nachtegaal en andere fabels ziet. Poppen zijn geen lollig scenisch extraatje, maar een primair uitdrukkingsmiddel. Ze tonen met kleine gebaartjes wat mensen niet kunnen of willen zeggen. Ook met louter licht en handen blijk je een wereld van expressie te kunnen tonen. Het resultaat is even fascinerend als ontroerend – al is het hier vaak lastig om te benoemen waarin de ontroering schuilt.

Het geheim van regisseur Robert Lepage, onder meer zeer bekend en succesvol met zijn recente enscenering van Wagners Der Ring des Nibelungen voor de Metropolitan Opera in New York, zit in zijn dienende, analytische aanpak. Lepage legt geen dominante eigen visie op, maar volgt de wortels van zijn materiaal.

In het geval van Stravinsky’s uur durende muzikale sprookje De nachtegaal leiden de wortels oostwaarts. Hans Christian Andersen liet zijn fascinatie voor China tot uitdrukking komen in een sprookje dat bol staat van de typisch 19de-eeuwse chinoiserie; een door velen gekoesterde Nachtegaal mag zijn virtuoze zangkunsten vertonen aan de Keizer, die daardoor tot tranen wordt geroerd. Vervolgens biedt de Keizer van Japan een mechanische nachtegaal aan, waarop de echte gepikeerd wegvliegt en door een al even geërgerde Keizer wordt verbannen. Pas als de Keizer op zijn sterfbed smeekt om muziek, keert de nachtegaal trouwhartig terug. De Keizer herstelt, maar de vogel weigert promotie tot hofvogel: de keizerlijke tranen zijn afdoende eer en de vogel vliegt weg met de belofte om nachtelijks terug te keren.

Een draak, een Chinese draak, zouden vele regisseurs denken. Al die keizers, bonzes en kamerheren, wat moet je ermee? Lepage vond zijn sleutel in het libretto. De nachtegaal zingt aan zee, en hoe vertelt men in Azië zijn volksverhalen? Aha, door middel van poppentheater.

Lepage greep dat inzicht aan voor een vrije mix van Vietnamees waterpoppentheater en Japans bunraku. De fraaie handpoppen worden door de zangers zichtbaar bediend vanuit een meterhoge waterbak. Elk personage heeft zo dus twee gezichten: dat van de zanger annex poppenspeler, en dat van de pop die diens personage verbeeldt. Storend voor de illusie is dat overigens allerminst, integendeel. De gespletenheid voegt eerder een dimensie toe, elk karakter heeft een klinkende (zanger) en een fysieke (pop) verschijning die in elkaars verlengde liggen.

Bovendien werkt de voorstelling nu juist zo goed omdat je over dit soort technische details niet nadenkt. Daarvoor is de schoonheid van het rokende water en de dobberende Chinese bootjes met poppen erin te intiem en te bedwelmend, de vrijelijk (aan een half zichtbare hengel) door de lucht zwevende nachtegaal te poëtisch en het lekker door de waterbak pletsend en stoeiend drakenpaar gewoonweg te komisch. De enige minder geslaagde akte is die van de Keizer op zijn sterfbed, omdat de scenische verbeelding van de dood – een nogal akelig ogend reuzenskelet – voelt als stijlbreuk met de intimiteit van de rest.

De muziek versterkt de bedwelming. Razend knap is het dat dirigente Xian Zhang geen moment van disbalans toestaat tussen het Residentie Orkest voor haar en de zangers in het waterbassin achter haar. De orkestmusici schakelen alert tussen klankpoëzie en onstuimiger passages en de cast kent naast sterke zangers als tenor Edgaras Montvidas (visser) één reuzentroef: de stralende jonge Russische sopraan Olga Peretyatko (31), die als uitbundig kwinkelerende Nachtegaal zowel uiterlijk als vocaal de charme van landgenote Anna Netrebko evenaart.

Als losse miniopera had De Nachtegaal uitstekend kunnen volstaan, maar gekozen werd voor een combinatie met losse werkjes uit Stravinsky’s Russische periode (1908-1918), die de vergelijking met gelijktijdig ontstane balletten als De Vuurvogel en Le Sacre du Printemps overigens niet steeds doorstaan. Maar ook hier betovert het toneelbeeld, nu met illustratief schaduwspel van vijf handspelers op scherm achter de musici.

Nooit geweten dat je met één lamp en vijftig vingers een wereld in beelden kunt vangen. Zuigelingen met kleine duimpjes om op te zuigen, vertederende konijntjes met wipoortjes, elegante hanen – ze zien hier allemaal het licht (of beter: de schaduw). Wonderlijk dat muziektheater zo simpel en tegelijkertijd zo verrassend kan zijn.

‘De nachtegaal en andere korte fabels’ van I. Stravinsky door De Ned. Opera, Residentie Orkest o.l.v. Xian Zhang. T/m 22/1 in Het Muziektheater, A’dam. www.dno.nl.