Ik kijk altijd of ik mijn vader zie

Joy Wielkens schreef een solovoorstelling over haar afwezige, Antilliaanse vader.

Zij hoopt dat er ooit een man in de zaal zit die na afloop zegt: „Ik ben je vader.”

„Niet slaan! Au! Mama! Nee! Niet slaan...” Joy Wielkens (31) ligt in foetushouding op de theatervloer van het Amsterdamse Fijnhout Theater. De veertig man publiek in het kleine zaaltje kijkt ademloos toe hoe de theatermaakster huilend de klappen van haar moeder probeert af te wenden. Wielkens tranen zijn echt, de woedende moeder is denkbeeldig.

Een dag later, in een groot Amsterdams café met een cappuccino die ze door haar vertelenthousiasme het hele gesprek vergeet aan te raken, beaamt de Surinaams-Antilliaanse Wielkens dat de slascène in haar solovoorstelling Papa was a rolling... Nobody door veel mensen als heftig wordt ervaren. „Ook door mijn moeder, al gaf zij heel eerlijk toe dat het toen zo ging. Vroeger werden er echt pollepels op je billen kapotgeslagen.”

Papa was a rolling... Nobody gaat over een meisje in Osdorp dat opgroeit zonder vader.

Net als jij dus?

„Het stuk is totaal autobiografisch. Toen ik anderhalf jaar geleden begon – en mijn show aan de theaters moest verkopen – dacht ik dat ik een voorstelling ging maken over een dochter, ik, die na jaren haar vader vindt. Hoe is dat, wat gebeurt er dan? Een soort Spoorloos in het echt. Alleen lukte het me maar niet om mijn vader te vinden. Toen het tijd werd om de voorstelling definitief in elkaar te zetten, besloot ik een reconstructie van mijn jeugd te maken met daarin de zichtbare afwezigheid van die vader. Scènes die, als er een vader was geweest, misschien anders waren gelopen. Dan was de zus misschien niet ontspoord, had de moeder misschien meer reserves gehad.”

Je zet je moeder neer als een vrouw die vaak woedend is. Heb je haar gewaarschuwd voor ze kwam kijken?

„Zeker. Toen de voorstelling dichterbij kwam, besefte ik dat het misschien ook als kritiek op haar kan worden opgevat, op de vrouw die er juist wel was in tegenstelling tot de vader die er niet was. Ik heb haar de maandag voor de première gebeld. Weet je zeker dat je wilt komen? Mensen zullen je herkennen als de vrouw die daar als een soort boevrouw wordt neergezet. Zij zei alleen: ‘Ik wil het gewoon zien en daarna zal ik oordelen of ik jou nog wel wil zien.’”

En?

„Ze vond het confronterend, maar was ook trots. Trots dat ik op deze manier met het onderwerp omga. Daarbij vinden veel mensen het stuk ook een ode aan mijn moeder. Juist doordat ik haar struggle laat zien. Het feit dat ik uiteindelijk op dat podium sta, bewijst dat mijn moeder het goed gedaan heeft.”

Uit de voorstelling blijkt dat jullie in Osdorp niet het enige Surinaamse gezin met dezelfde situatie waren. Je verhaal is niet uniek?

„Helemaal niet. Het is wél uniek dat er theater over wordt gemaakt. Ik merk bij het Surinaamse publiek dat het onderwerp van een afwezige vader en een moeder die het zwaar heeft, een beetje taboe is. Het is niet iets waar ze het graag over hebben. Je bent toch goed terechtgekomen? Dan hoeven we nergens over te praten.”

Reageert het Surinaamse publiek sowieso anders?

„Ik wil geen grote, generaliserende uitspraken doen, maar het is heel vaak zo dat als er Surinaamse mensen in de zaal zitten, ze heel hard moeten lachen bij de scènes waarin de moeder heel boos wordt, haar kind een hoer noemt of slaat. Misschien uit gêne, maar misschien ook omdat ze het grenzeloos slaan van kinderen herkennen. Aan dat slaan heb ik trouwens verder weinig overgehouden. Ik ben niet getraumatiseerd en kan heel reëel bedenken of ik mijn eigen kinderen later wel of niet een tik zou geven. Als ik mijn zus nu zo haar zoontje zou zien slaan, zou ik direct ingrijpen. Maar het waren andere tijden. Misschien werd er vroeger in alle gezinnen harder geslagen...”

Je hebt je vader nog niet gevonden. Hoop je dat hij jou door de voorstelling misschien vindt?

„Natuurlijk! Ik hoop enorm dat ik het universum zo naar mijn hand kan zetten dat er op een gegeven moment een man in de zaal zit die na afloop opstaat en zegt: ik ben je vader. Ik kijk altijd, vooral in de grote steden, wel even of er iemand in het publiek zit die mijn vader zou kunnen zijn. Al weet ik niet eens of hij nog in Nederland woont.”

Wat weet je wel van hem?

„Hij en mijn moeder hebben een tijd een relatie gehad waaruit twee kinderen zijn geboren. Verder weet ik weinig. Ik heb een naam, een geboortedatum en weet van welk Antilliaans eiland hij komt. Het Leger des Heils is al twee jaar op zoek, maar hij komt niet in de registers voor. Ze zoeken nu internationaal, maar de kans is groot dat niet al mijn gegevens kloppen. Als dat zo is, wordt het moeilijk zoeken. Dan heb ik alleen een foto waar een man op staat van wie niemand weet hoe hij precies heet. ”

Misschien heb je wel halfbroers of –zusjes.

„Ik vermoed wel dat ik die heb, ja. Dat is een bizar idee. Vooral omdat ze waarschijnlijk dezelfde leeftijd hebben als ik. Misschien wonen ze ook in Oost op een flatje. Misschien ken ik ze wel. Dat is helemaal raar. Ook dat is één van de redenen waarom ik mijn vader graag wil vinden.”

En wat als hij dan uiteindelijk opeens voor je neus staat...

„Dan wil ik weten waar hij al die tijd was en waarom ik niet belangrijk was. Misschien dat het te confronterend is, maar als ik hem zo’n belangrijke vraag niet kan stellen, weet ik niet of ik wel op een ontmoeting zit te wachten. Ik wil het weten. Mijn zus niet, die heeft het afgesloten, heeft zelf kinderen en kan het niet zo boeien. Misschien heeft zij het al verwerkt door flink te puberen. Ik was juist heel serieus als tiener. Druk bezig met acteren. Misschien is dit mijn manier om alsnog te puberen. Om het een plaatsje te geven.”

Doe je dat ook op een andere manier dan met je voorstelling?

„Ik zit in een soort praatgroep voor vaderzoekers, met allemaal mensen die zijn opgegroeid zonder vader of moeder, of zijn geadopteerd. We moeten regelmatig brieven schrijven aan de ouders die er niet zijn. Daar merk ik dat veel mensen bang zijn om verwijten te maken aan het adres van die ouder, uit angst om ze direct weer te verliezen. Dat ben ik zelf niet. Ik denk zelfs dat je pas na de ‘waarom ben je er al die tijd niet geweest?’-vraag verder kunt gaan met het opbouwen van een normale relatie.”

Dat klinkt alsof je er klaar voor bent ...

„Dat weet ik eigenlijk niet. Ook omdat ik nu nog met m’n theatertour bezig ben. Hoe moet ik een voorstelling over m’n jeugd ingaan, een jeugd die is gekleurd omdat er geen vader was, en serieus een afscheidsbrief aan de man die er niet was voorlezen in de wetenschap dat ik hem heb gevonden? Misschien moet m’n vader na de laatste voorstelling in Bellevue opeens voor m’n neus staan. Dat zou wel mooi passend zijn. En dan kan ik daarna meteen heel hard met vakantie.”

Papa was a rolling… Nobody van Joy Wielkens is 26, 27 en 28 januari te zien in Theater Bellevue Amsterdam