Hoe de hersens van de Duitsers duister werden

Niet alleen de meeste Duitsers maar ook diplomaten ontkenden het ware karakter van het naziregime. De enkelingen die het wel onder ogen zagen, zoals rechter Friedrich Kellner en ambassadeur William Dodd, werden niet gehoord.

Friedrich Kellner: Vernebelt, verdunkelt sind alle Hirne. Tagebücher 1939-1945. Wallstein Verlag, 1126 blz. €65,-

Over de Tweede Wereldoorlog zijn bibliotheken volgeschreven, maar waarom een heel volk achter Hitler is aangelopen, vol overtuiging heeft meegedaan of heeft weggekeken blijft moeilijk voorstelbaar. Dat pure wreedheid zo dichtbij kan komen is een huiveringwekkende gedachte. Dat er ook gewone Duitsers waren die hieronder zwaar geleden hebben, blijkt uit de oorlogsdagboeken van gerechtelijk ambtenaar Friedrich Kellner uit het provincieplaatsje Laubach, die in 2011 zijn verschenen. Het is in Duitsland onmiddellijk uitgeroepen tot het beste geschiedenisboek van het jaar.

Friedrich Kellner (1885-1970) groeide in Mainz op als bakkerszoon, vocht in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk en klom op tot Justizinspektor bij de rechtbank van Laubach. Hij was lid van de sociaal-democratische SPD en verklaard tegenstander van de nazi’s. Na de Kristallnacht kwamen zijn vrouw en hij op voor een joodse familie bij hen in huis. Zijn meerdere bedreigde hem met een concentratiekamp. Als daad van verzet hield hij een uitgebreid dagboek bij van de oorlog.

‘Ik was destijds niet bij machte de nazi’s te bestrijden, daarom besloot ik ze in de toekomst met dit dagboek te bestrijden, om komende generaties een wapen tegen elke herhaling van deze wandaden te geven’, schreef Kellner ter verklaring van zijn geheime notities.

Kellner wilde vastleggen hoe de oorlog de ‘hersens van de Duitsers verduisterd heeft’. Hij maakte zijn aantekeningen op ruitjespapier, beplakt met krantenknipsels, die hij gebruikte om de nazipropaganda te fileren. Na een huiszoeking in 1940 bewaarde hij het dagboek op een geheime schuilplek.

Kellners commentaar op zijn eigen volk is snoeihard. Sommige van zijn naaste collega’s zijn gewoon crimineel dom, anderen zijn overtuigde nazi’s, die hem wantrouwen om zijn Miesmacherei (zwartkijkerij). Zijn hoop dat de oorlog niet lang zal duren, slaat om in woede en wanhoop, over de Duitsers, maar ook over de geallieerden die te weifelachtig optreden.

Bedenkingen

Dat Duitsland het niet-aanvalsverdrag met Stalin zou schenden en de Sovjet-Unie de oorlog zou verklaren, kwam voor Kellner niet als een verrassing. Op 28 juni 1941 schrijft hij: ‘Een dame zegt: zondag (begin van de oorlog met Rusland) had ik nog bedenkingen, maar nu ziet het er goed uit. We hebben bondgenoten, anders dan in andere oorlogen, en alles loopt op rolletjes. De oorlog kan heel snel ten einde zijn, als Rusland van binnenuit ineenstort. Zo sprak de dame met de Pruisische tongval. Steeds hetzelfde liedje. Het is ons allemaal gelukt. Dus gaan we vrolijk verder. Zonder plichtplegingen wordt de hele wereld met oorlog overgoten – omdat het nu eenmaal soepeltjes verloopt. Dát is de Duitse mens. Geen enkel gevoel voor het lot van andere volkeren. De hele wereld kan verwoest worden, als hij – de heerlijke Germaan – maar over de puinhopen mag heersen.’

Al in juli 1941 ontdekte Kellner dat verpleeghuizen ‘moordcentrales’ waren geworden, waar minderwaardige mensen werden afgemaakt. Een echtpaar had hun geesteszieke zoon naar huis gehaald. Kort daarna ontvingen ze van de inrichting een brief dat de jongen gestorven was en dat ze de as thuisgestuurd zouden krijgen. De behandelaars waren vergeten na zijn vertrek zijn naam van de lijst te strepen en stuurden zijn ouders per abuis een doodsbericht. ‘Op deze wijze is de geplande doding aan het daglicht gekomen.’

In oktober van hetzelfde jaar meldt Kellner dat een soldaat getuige was van gruweldaden in Oost-Polen. ‘Hij heeft gezien hoe naakte joden en jodinnen, opgesteld voor een lange diepe kuil, op bevel van de SS door Oekraïners in hun achterhoofd geschoten werden en in de kuilen vielen. De kuil werd vervolgens dichtgegooid. Uit de kuil klonken vaak nog kreten!! Deze onmenselijke schanddaden zijn zo vreselijk, dat zelfs de als handarbeiders gebruikte Oekraïeners zenuwinzinkingen kregen! […] Geen straf is hard genoeg om deze nazibeesten op te leggen.’

Over de deportatie van enkele joodse families uit Laubach schrijft Kellner: ‘Zulke schanddaden zullen nooit kunnen worden gewist uit het boek van de mensheid. Onze moordregering heeft de naam ,,Duitsland’’ voor altijd bezoedeld. Voor een fatsoenlijke Duitser is het onbevattelijk, dat niemand de klopjacht van de Hitler-bandieten een halt toeroept.’

De dagboeken (900 pagina’s) tonen aan dat iedere Duitser die zijn gezond verstand gebruikte de leugens van de nazi’s in de kranten eenvoudig door kon prikken. Hij laat zien hoe doorzichtig de oorlogspropaganda was: Duitse bommen op Londen zijn heldendaden, Britse bommen op Duitse steden laffe oorlogsmisdaden. Vijandelijke verliezen worden uitvergroot, eigen verliezen verzwegen. Nederlagen worden keer op keer beschreven als briljante tactische zetten (‘Het zou me niks verbazen als van hogerhand beweerd zou worden dat de herovering van de Oekraïne door de Russen een van de grootste Russische nederlagen en een geweldig strategisch succes van de Duitsers is’, schrijft hij sarcastisch).

Als de nazi’s uit Afrika en Rusland zijn teruggeslagen, presenteren ze zich als de door God gezonden redders van de Festung Europa in plaats van de op Lebensraum azende oorlogshitsers die ze waren. Uiteindelijk bestaan ze het zelfs Groot-Brittannië ervan te beschuldigen de oorlog te zijn begonnen. Maar het volk slikt alles, constateert Kellner bitter.

Het had maar een haar gescheeld of Kellner had zijn dagboeken na de oorlog vernietigd. Het echtpaar kreeg een zware klap te verduren. Hun enige zoon Frits had nazi- sympathieën. Om te voorkomen dat de jongen voor de verleiding van Hitler zou vallen, stuurden ze hem naar Amerika. Daar bleek hij een oplichter. Hij gaf zich uit voor een gevluchte jood om een hogere uitkering te krijgen en stopte zijn drie kinderen in een weeshuis. Na de oorlog maakte hij zijn ouders wijs dat hij deel had genomen aan D- Day. Hij werd zwarthandelaar, raakte in geldnood en pleegde in 1953 zelfmoord.

Profeet

Dat ze zelfs hun eigen zoon niet op het rechte pad hadden kunnen houden, brak hun hart. De Kellners trokken zich terug uit het openbare leven. Friedrich begon zijn aantekeningen te verbranden. Toen dook zijn kleinzoon op, de Amerikaanse marinier Robert Kellner, die zijn vader maar één keer in zijn leven had gezien. Omdat hij belangstelling toonde voor de geschiedenis van zijn grootouders, liet Friedrich de dagboeken aan hem na.

Het kostte zijn kleinzoon heel wat moeite om de dagboeken aan de man te brengen. Uiteindelijk lukte het hem ex-president George Bush sr. voor het verhaal te interesseren, die de dagboeken in zijn bibliotheek tentoonstelde. Vorig jaar verscheen eindelijk een uitstekend geannoteerde tweedelige uitgave in Duitsland.

De dagboeken van Kellner zijn in Duitsland al vergeleken met die van Victor Klemperer. Ook Klemperer boog zich over het versluierende taalgebruik van het nationaal-socialisme. Maar Kellner beschrijft niet in eerste instantie zijn directe omgeving. Hij analyseert vooral de oorlogsverrichtingen van de nazi’s. Pagina’s lang brengt hij artikelen uit Duitse kranten, om te laten zien hoe de propaganda werkte. Dat maakt zijn boek zware kost, maar het is wel een uniek historisch document, dat niet achteraf tot literatuur is gepolijst. Naarmate de oorlog langer duurt – Kellner verwachtte dat het einde al in 1943 zou komen – wordt zijn commentaar beknopter. Hij lijkt de wanhoop nabij.

Na de oorlog ontdekte Kellner dat hij zelf ternauwernood ontsnapt was aan het concentratiekamp. Een NSDAP-functionaris schreef al in 1940 over hem: ‘Als we mensen van het slag Kellner willen pakken, moeten we ze uit hun schuilplaatsen lokken en schuldig laten zijn. Een andere weg is er op het moment niet. Voor een aanpak zoals met de joden is de tijd nog niet rijp. Dat kan pas na de oorlog.’

Jammer genoeg heeft Kellner weinig geschreven over zijn dagelijkse werk op de rechtbank, al steekt hij zijn dedain over het rechtsysteem onder de nazi’s niet onder stoelen of banken. Angst kan daarbij niet de drijfveer zijn geweest, want als dit dagboek in de oorlog was gevonden, was Kellner ongetwijfeld direct wegens landverraad ter dood veroordeeld.

Zijn opmerkingen over Hitler laten aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Adolf Hitler verbeeldt zich een profeet te zijn. Hij is niet meer dan een heel klein mannetje, die het grote geluk had een laf, zwak, murw, geestesziek volk te vinden met een intellectuele elite, die zelfs het touw niet waard is om stuk voor stuk te worden opgeknoopt.’