Deens rechts moet wennen aan de stilte

De links-liberale regering van Denemarken draait het beleid tegen migranten van het vorige kabinet terug. Maar premier Thorning-Schmidt heeft het niet makkelijk.

De parlementariërs van de rechts-populistische Deense Volkspartij zijn er na ruim drie maanden nog steeds niet echt aan gewend: er staan geen journalisten meer in de wandelgangen bij hun werkkamers, ze worden ook bijna niet meer gebeld.

Tien jaar lang was dat helemaal anders. De Deense Volkspartij van Pia Kjaersgaard, door PVV-leider Geert Wilders graag gebruikt als voorbeeld, gaf gedoogsteun aan conservatief-liberale minderheidsregeringen van premier Lars Løkke Rasmussen en zijn voorganger Anders Fogh Rasmussen. De partij kreeg daar veel invloed voor terug.

Maar bij de verkiezingen van vorig najaar won het blok met links-liberale partijen onder leiding van de sociaal-democraat Helle Thorning-Schmidt, die nu premier is. En de Deense Volkspartij werd voor het eerst kleiner: de partij verloor drie van de 25 zetels in het parlement, dat in totaal 179 zetels heeft. Deze week werd een van hun belangrijkste successen ongedaan gemaakt: het ‘puntensysteem’ voor migranten, waardoor bijvoorbeeld gezinshereniging heel moeilijk werd gemaakt, verdwijnt.

In het parlement heeft Pia Adelsteen, EU-specialist van de Deense Volkspartij, een kleine zolderkamer. Denemarken, zegt ze, is niet meer het land van tien jaar geleden. „En dat komt door ons.” Ze vertelt over immigranten die in de jaren negentig een uitkering kregen, gezondheidszorg, onderwijs voor hun kinderen, en ook nog fietsen eisten. „Daar waren de mensen boos over. Nu hoor je zulke verhalen niet meer. Er zijn nog problemen met scholen met veel buitenlanders en wijken waar de politie niet in durft, maar niet meer zo veel als vroeger. Wie nu naar Denemarken komt, wil onderdeel zijn van onze samenleving.”

De Deense Volkspartij denkt dat de problemen met migranten vanzelf terugkomen – door de nieuwe regering – en dat premier Helle Thorning-Schmidt niet goed aanvoelt hoe weinig de Denen moeten hebben van Europa.

De parlementariërs van de Deense Volkspartij moeten nog leren hoe ze nu in kranten en op televisie aandacht kunnen krijgen, zegt Pia Adelsteen. „Maar zelf vind ik het een opluchting om in de oppositie te zitten. Ik kan zeggen wat ik denk en hoef geen rekening te houden met afspraken met de regering.”

In een café tegenover het parlement zegt de sociaal-democratische ex-parlementariër Yildiz Akdogan, nu politiek commentator van twee kranten, ook dat ze opgelucht is – maar dan omdat er nauwelijks nog over immigranten wordt gepraat.

Ze vertelt hoe haar eens de toegang werd geweigerd tot een bar in Kopenhagen, omdat ze van Turkse afkomst is. Ze praat over een politicus van de Deense Volkspartij die moslims ‘kankercellen’ noemde en een andere die schreef dat Turkse vaders hun dochters verkrachtten. En door het ‘puntensysteem’, zegt ze, had bijna elke Japanner of Braziliaan meer kans om naar Denemarken te komen dan een Libanese dokter. Maar het is voorbij. „En een ministerie voor integratie is er ook niet meer.”

Immigranten zijn als politiek thema verdwenen door de economische crisis, zegt Rebecca Adler-Nissen, politicoloog aan de Universiteit van Kopenhagen. „Mensen denken: ‘We zijn wel weer strikt genoeg geweest, nu hebben we anderen zorgen.’ En het idee dat migranten onze banen zouden inpikken, heeft hier zo nooit gespeeld. Het ging over misbruik van sociale voorzieningen.”

Kort voor de Deense verkiezingen was er ook de moordpartij in Oslo. „Wij voelen ons nauw verbonden met de Noren”, zegt Rebecca Adler-Nissen. „Door die aanslag werd duidelijk wat er kan gebeuren als je te ver gaat met negatieve gevoelens over migranten. Het had in Denemarken een verzachtende invloed op het publieke discours.” En er was de Arabische lente. „Die liet zien dat je moslim kunt zijn en ook kunt verlangen naar democratie. Denemarken bombardeerde mee in Libië, we hadden het gevoel dat we zelf aan de Arabische lente deelnamen.”

Dat de Deense Volkspartij kleiner wordt en nauwelijks nog aandacht krijgt, betekent niet dat de links-liberale regering het nu makkelijk heeft. Uit recente opiniepeilingen blijkt dat de regering impopulair is en dat de vorige premier Rasmussen opeens geliefd is. Er wordt veel geklaagd over verkiezingsbeloften die niet worden nagekomen. Er zouden extra belastingen komen voor de rijken, de wachttijd op de eerste hulp van ziekenhuizen zou worden verkort en er zou veel meer worden geïnvesteerd om de economie beter te laten draaien.

De drie coalitiepartijen – de sociaal-democraten, de sociaal-liberalen en de Socialistische Volkspartij – sloten een moeizaam compromis. De socialisten hadden nog nooit in een regering gezeten en voelen zich bekocht, zegt politicoloog Rebecca Adler-Nissen: het beleid werd veel rechtser dan de partij had gewild.

„Maar ook voor de liberalen is het moeilijk. Die wilden lagere belastingen, minder overheidsuitgaven, herziening van de werkloosheidsuitkeringen.” Dat kwam er allemaal niet. „Helle Thorning-Schmidt moet nu tonen dat ze een leider is. Dat ze kan voorkomen dat ministers openlijk ruzie met elkaar gaan maken.”

De Deense Volkspartij zal het nu vaak over de EU gaan hebben – daar is de partij tegen. „We zijn ook bekend om onze ideeën over ouderenzorg”, zegt Pia Adelsteen. „Maar dat zie je ook bij andere partijen.”