De mens heeft niets te willen

Stijn van der Loo roept de verpestende sfeer van de jaren vijftig op. De spanningen leiden in een Brabants dorp tot een gruwelijk drama.

Stijn van der Loo: Slopers. Querido, 236 blz. €24,-

In hoeverre worden mensen bepaald door hun afkomst, opvoeding en erfelijkheid? Kun je ontsnappen aan een (vermeend) voorbeschikt lot en zo ja, tegen welke prijs?

Het zijn vragen die de literatuur al sinds mensenheugenis bezighouden, maar Stijn van der Loo, zanger, theatermaker en sinds 2006 ook schrijver van fraai gestileerde romans, is wel bijzonder gegrepen door deze thematiek. Al in zijn bekroonde debuut De Galvano, spelend in een Eindhovense galvaniseerfabriek tijdens de Tweede Wereldoorlog, toonde hij zich een moderne navolger van naturalisten als Zola. Ook door zijn realisme: op grondige research berustende gedetailleerde beschrijvingen van het productieproces en de helse arbeidsomstandigheden. Van ontsnappen aan een lot was in deze novelle nauwelijks sprake, overleven gold als de eerste zorg van de joodse arbeider Moz.

Het eveneens in Noord-Brabant gesitueerde Slopers, speelt een decennium later, tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, een periode waarin veel mensen de kans grepen hun vleugels uit te slaan. De gebroeders Pek, beiden geboren in het onheilsjaar 1933, kunnen dat niet. Ze beginnen een sloopbedrijfje en kunnen heel wat krottige boerderijtjes met de grond gelijk maken van lieden die hun heil elders in de wereld zijn gaan zoeken.

Zelf zijn de twee jongens niet bij machte om te emigreren of anderszins hun afschuwelijke Brabantse dorp, ingeklemd tussen twee rivieren en bevolkt door ‘katholieke windvanen’ te ontvluchten. De oudste heeft als puber een poging gedaan zich aan te melden bij het Vreemdelingenlegioen, maar werd door de politie weer thuisgebracht, de jongste heeft hun moeder in 1950 op haar sterfbed beloofd dat hij op zijn losbol van een oudere broer zou passen.

Stakkers

Het is deze jongste Pek die in de ik-vorm het ellendige verhaal vertelt van een groepje kansloze stakkers, die, hoe ze ook ploeteren, steeds dieper wegzakken in Brabantse rivierklei. De broertjes Pek zijn bepaald niet stom, integendeel, ze halen slopersklussen binnen, geven werk aan drie nog grotere losers en verstaan het slopersvak, dat door Van der Loo in detail wordt geschilderd.

Indringend wordt in Slopers de alles verpestende atmosfeer van de jaren vijftig opgeroepen. Vrijwel alle katholieke hypocrieten waarvan het fictieve dorp Mortel is vergeven, waren in de oorlog meelopers met de bezetters geweest. Sommigen schroomden desondanks niet om na de bevrijding ‘moffenhoeren’ kaal te scheren en vervolgens functies te bezetten waarin ze de Marshallhulp inpikten.

De familie Pek zat in het verdomhoekje omdat vader Pek niet terug was gekomen van zijn dwangarbeid in Duitsland en dus als ‘overloper’ werd beschouwd. Dat het gezin zich ondanks deze bedreigende laster nog enigszins kon handhaven, was te danken aan de bigot katholieke moeder Pek. Zij was de rijkste man van het dorp seksueel van dienst geweest, waarop hij zich na haar dood verplicht voelde haar zoons aan sloopopdrachten te helpen. Daardoor krijgen de straatarme, ongeschoolde jongens het idee dat ze afhankelijk zijn van die ellendeling.

Boerenpummels

Deze situatieschets lijkt me tamelijk realistisch. Het platteland moet vol hebben gezeten met door de oorlog kapot gemaakte adolescenten zonder toekomst naar wie niemand omkeek. Beperkte boerenpummels zonder enige scholing die één keer per jaar losgaan op de kermis, waar ze straalbezopen vechten om al even bekrompen meiden. In Slopers komen alle spanningen en conflicten tot een gruwelijke ontknoping op een kermis ter gelegenheid van ‘Mortel Tien Jaar Bevrijd’.

Het deterministische mensbeeld van Van der Loo ligt er nogal dik bovenop. Niet alleen hijzelf lijkt bevangen door het idee dat een dubbeltje nooit een kwartje wordt, ook zijn hoofdpersoon gelooft daar stellig in. Je bent wie je bent, daar valt niets aan te doen. De opvallende karakterverschillen tussen de ik-figuur en zijn losbandige broer worden verklaard uit de mogelijkheid dat ze misschien een verschillende vader hebben en zelfs het feit dat de ‘ik’ een couveusekind was blijkt bepalend voor wat hij zijn laffe gedienstigheid noemt.

Een bezwaar tegen deze bij vlagen lyrisch geschreven en sfeervolle roman is de overvloed aan quasi-filosofische gedachten van de hoofdpersoon over de onmogelijkheid iets aan zijn door afkomst en karakter bepaalde lot te veranderen. ‘Het leven bepaalt je. Je verschijnt. Je hebt het niet voor het willen. Al dat willen, hooguit ben je daarmee iets eerder, een vroeggeboorte op zijn best, maar aan je afkomst is niets te doen. Je bent samengesteld. Daar valt niets aan te veranderen. Je bent een voldongen feit. Het enige wat je wel zelf kan doen is slopen. Je kunt jezelf niet bouwen, wel slopen.’

De bouwen-versus-slopen-metafoor wordt irritant vaak gebruikt, evenals die over de Brabantse klei waarin de personages vastgezogen zitten. Van der Loo beschikt over het verteltalent en de stilistische vermogens die hem in staat zouden moeten stellen in een volgende roman datgene te doen waar de jonge Pek in Slopers alleen maar van kan dromen: ‘weg uit de klei, mijn verleden eraan geven, en een nieuw mens worden, zonder afkomst en zonder lotsbeschikking.’