De ideale bad guy

De Egyptenaar Sayyid Qutb (1906-1966) geldt als de architect van de radicale, politieke islam. Waar kwam zijn radicalisme vandaan?

John Calvert: Sayyid Qutb and the Origins of Radical Islamism. Hurst, 377 blz. €34,-.

Is de Islam een religie of een politieke ideologie? De vraag is in Nederland de afgelopen jaren tot vervelens toe gesteld. Nog vervelender zijn de steeds herhaalde welles-nietes-antwoorden in deze schijndiscussie. Een zinvoller antwoord is dat islam als politieke ideologie een uitvinding van de 20ste eeuw is geweest. In de Arabische wereld was het vooral de Egyptenaar Sayyid Qutb (1906- 1966) die de Islam van een ritualistisch geloof omvormde tot een revolutionaire politieke ideologie. Qutb is sinds de aanslagen van 11 september 2001 aangewezen als de aartsvader van elke vorm van radicaal islamitisch geweld. Hij heeft ontegenzeggelijk hele generaties radicale moslims beïnvloed. Zo bleek zijn revolutionaire pamflet Mijlpalen ook op het nachtkastje van Mohammed Bouyeri te liggen toen die na de moord op Theo van Gogh werd gearresteerd. Qutb lijkt dus, samen met iconen als Bin Laden, een ideale bad guy. Maar een informatieve nieuwe biografie door John Calvert, die op veel onbekend bronnenmateriaal steunt, toont een complexere figuur. Ze maakt onder meer duidelijk dat Qutb zelf geweld tegen burgers ondubbelzinnig afwees; ook toont ze dat hij een ambivalente houding tegenover het Westen had, met name tegenover Amerika, waar hij twee jaar heeft doorgebracht.

Vernieuwers

Evenals de meeste islamitische vernieuwers van de 20ste eeuw was Qutb een leek, geen traditionele schriftgeleerde. Hij studeerde niet aan de traditionele Azhar-universiteit maar volgde modern onderwijs aan een seculiere staatsschool. Aanvankelijk waren zijn interesses ook eerder literair dan religieus. Hij bewonderde Taha Husayn, de grote seculiere hervormer van literatuur en onderwijs in Egypte, had contacten met vooraanstaande schrijvers als Nagib Mahfoez, en ontwikkelde zich tot een literair criticus met een voorliefde voor modernistische poëzie en felle polemieken. Kortom, in de jaren dertig en veertig was Qutb een soort Egyptische Gerrit Komrij. Hij schreef ook een autobiografie in de hij-vorm, Kind uit het dorp, die meer lijkt op Komrijs memoires Verwoest Arcadië dan op enig islamitisch pamflet. Niets in dit vroege werk vertoont ook maar een spoor van de radicale islamist die Qutb in later jaren zou worden. Zelfs zijn eerste geschriften over de Koran betreffen vooral de literaire kwaliteiten van de openbaring, en hebben geen politieke agenda.

Waarom bekeerde Qutb zich dan opeens, tijdens zijn midlifecrisis, tot de politieke islam? Op deze vraag geeft Calvert slechts een wat tam antwoord, dat draait om de politieke als spirituele noden die de man in deze tijd zou hebben gehad. In 1948 was Qutb naar Amerika vertrokken om de onderwijssystemen daar te bestuderen. Het conventionele verhaal wil dat Qutb – nooit getrouwd en dus al te gemakkelijk voor seksueel verknipt gehouden – aan boord van het schip naar Amerika door een dronken westerse vrouw zou zijn benaderd met een oneerbaar voorstel; na deze ontmoeting zou hij het Westen voortaan afwijzen als immoreel en decadent. Calvert maakt echter duidelijk dat Qutbs islamistische ommekeer zich al vóór zijn Atlantische overtocht had voltrokken. Bovendien maakte hij zich meer zorgen over binnenlandse maatschappelijke en economische problemen dan over een morele confrontatie met het Westen. Zo voltooide hij al voor zijn vertrek een boek over sociale rechtvaardigheid in de Islam, dat zijn naam als islamitisch ideoloog zou vestigen.

Qutb had gemengde gevoelens over zijn verblijf in de VS. In brieven deed hij zijn beklag over het Amerikaanse racisme en materialisme, en over het gebrek aan behoorlijke kappers; maar tegelijkertijd genoot hij van Hollywoodfilms als Gone with the Wind. Hij wordt door Calvert iets te eenduidig neergezet als een conservatieve en anti-westerse denker die de culturele authenticiteit van islamitisch Egypte wil beschermen. In maatschappelijk en economisch opzicht was Qutb echter niet conservatief: hij kritiseerde het door achterlijkheid, bijgeloof, armoede en onrecht geteisterde dorpsleven van zijn jeugd, en hij verwierp het traditionele gezag van sjeiks en schriftgeleerden. Ook zijn houding ten aanzien van vrouwen is eerder door nationalistische dan door religieuze overwegingen ingegeven: hij beschouwt het waken over de goede zeden van vrouwen als een vereiste voor een sterk Egypte. Al even romantisch en dus modern is zijn verheerlijking van de ideale man-vrouwrelatie, die volgens hem eerder spiritueel dan seksueel van aard is; nog moderner waren Qutbs – door Calvert niet vermelde – pogingen om in Egypte nudistenkampen op te zetten.

Zionisten

Zoals zovelen in Egypte politiseerde Qutb vooral door de ontwikkelingen in Palestina. Uitgerekend radicale zionisten als de Irgun, suggereert Calvert, leerden veel Arabieren dat directe, gewelddadige actie tot snellere politieke resultaten leidt dan civiele politiek. Eind jaren veertig was Qutb echter nog geen revolutionair, maar eerder een islamitische sociaal-democraat. Hij steunde dan ook de alliantie van de Moslimbroeders met de seculiere maar socialistische president Nasser.

In 1953 werd hij lid van de Moslimbroeders; kort daarop liet Nasser hem gevangen zette. In de gevangenis radicaliseerde Qutb. Hij schreef een Korancommentaar waarin hij opriep tot directe actie, en het pamflet Mijlpalen, waarin hij – voor het eerst in de islamitische geschiedenis – revolutionair geweld tegen wereldse heersers predikt. Dat doet Qutb, opmerkelijk genoeg, met een beroep op het liberaal aandoende Koranvers ‘in religie bestaat geen dwang’ (2: 256). Nassers tirannie, schrijft hij, maakt het de gelovige onmogelijk om een vrij en moreel leven te leiden; daarom mogen – en moeten – zulke tirannieke overheden bestreden worden. Op grond van hetzelfde Koranvers verwerpt Qutb overigens het gebruik van geweld of dwang tegenover individuën.

Dat werpt de vraag op naar de bronnen van Qutbs radicale ideeën. Eén ding is duidelijk: die bronnen kunnen niet liggen in de voormoderne islam, waar zelfs de grootste theologische scherpslijpers geweld tegen heersers resoluut afkeurden. Calvert zoekt Qutbs bronnen vooral in de Franse revolutie, maar ook daarvoor zijn geen concrete aanwijzingen. Eerder moeten Qutbs voorbeelden worden gezocht in de moderne Russische revolutionaire traditie van het leninisme. Mijlpalen spreekt in termen van revolutionaire partijorganisatie, van een ideologische zuivere voorhoede en van revolutionair geweld; daardoor lijkt het eerder een vrije Arabische vertaling van Lenins Wat te doen? dan een islamitisch theologisch traktaat. De politieke islam zoals geformuleerd door Sayyid Qutb en zijn generatiegenoten is dus in laatste instantie leninistisch van karakter. Alles wijst erop dat dit leninisme sterk aan aantrekkingskracht heeft ingeboet, zeker voor de huidige generatie jongeren die actief is in de Arabische lente.