De godenfluisteraarsters

Hans de Greeve: In de schaduw van profeten. Iconografie van de sibille. Primavera Pers, 218 blz. € 37,50

Een kilometer of twintig westelijk van Napels ligt de oude Griekse nederzetting Cuma. In 1932 ontdekten archeologen daar een ruim 130 meter lange gang, uitgehakt in de tufstenen rotsen. De constructie staat sindsdien bekend als ‘de grot van de sibille’. Cumae, zoals de oude Romeinen de plaats noemden, is al bekend uit de Aeneis van Virgilius, die beschrijft hoe Aeneas er een bezoek brengt aan een orakelende oude vrouw. Van deze ‘Cumaanse sibille’ wordt aangenomen dat ze een historische figuur is, maar van de gang (uit ca. 500 v. Chr) staat nu vast dat hij honderden jaren jonger is dan de oudste verwijzingen naar het orakel. In werkelijkheid hield dat zich elders op, waarschijnlijk in een grot bij de Tempel van Apollo in Cumae.

In een leerzaam en rijk geïllustreerd boek over het fenomeen van de sibille in de beeldende kunst, zet classicus Hans de Greeve uiteen dat de waarzegster oorspronkelijk een priesteres van Apollo was. Ze heette Sibille, en haar naam zou later ook een aanduiding worden van een stuk of tien andere vrouwen met profetische gaven. In de christelijke traditie zouden deze sibillen een opmerkelijke carrière maken als voorzegsters van de geboorte, het leven en het lijden van Christus. Zo spraken zij over een kind dat uit de hemel zou worden geboren, een god die zou sterven op hout, en een verlosser die zou sterven en drie dagen slapen.

Augustus

De kroon spande de Tiburtijnse sibille, een tijdgenote van de Romeinse keizer Augustus. Zij verliet haar woonplaats Tibur, het huidige Tivoli bij Rome, om de vorst het ongehoorde advies te geven over te gaan tot het aanbidden van ‘een kind dat groter is dan u’. In afbeeldingen van die episode wijst de vrouw nadrukkelijk omhoog, naar een stralenkrans of wolkenpak met de figuren van de Maagd Maria en het Christuskind dat tijdens Augustus’ regering zou worden geboren.

Zulke uitbeeldingen van sibillen in een christelijke context heeft de Greeve enthousiast verzameld. Het leeuwendeel van zijn boek bestaat uit een bewonderenswaardige inventarisatie van sibillen in wandschilderingen en glas-in-loodramen, houtsnijwerk aan koorbanken, en steensculptuur aan kerkportalen. Het materiaal is geografisch geordend naar land (Italië, Frankrijk, Spanje), of gebied (overige Europese landen, de Balkan), met zelfs een uitstapje naar de Nieuwe Wereld (het 16de-eeuwse Mexico).

De beroemdste afbeeldingen van sibillen in een christelijke context zijn zonder twijfel de vijf kolossale dames die Michelangelo tussen 1508 en 1512 schilderde aan de rand van zijn frescodecoratie op het Sixtijnse plafond. Sibillen waren ook al eerder opgedoken in de beeldende kunst, zoals in de marmeren incrustaties op de vloer van de Dom van Siena (kort na 1480) en, in een uitzonderlijke combinatie met antieke filosofen, in gewelfschilderingen in de Walburgiskerk in Zutphen (ca. 1500). Vaak dragen de figuren boeken of banderollen met teksten die aan hen werden toegeschreven en die vaak zijn ontleend aan uitgaven van boeken van de vroegchristelijke auteur Lactantius en de 15de-eeuwse dominicaan Filippo Barbieri. Deze edities waren invloedrijk en het verwondert daarom niet dat het aantal uitbeeldingen van sibillen vanaf het einde van de 15de eeuw enorm toenam. Dat hoogtij nam omstreeks 1550 weer af, waarschijnlijk onder invloed van de contrareformatie die nu eenmaal weinig op had met de heidense invloeden die de sibillen meebrachten.

Anekdotisch

De Greeve’s boek is hoogst informatief en geeft afbeeldingen van zo goed als alle besproken werken. Meeslepende lectuur biedt het encyclopedische werk doorgaans niet, met zijn voortdurende verwijzingen naar eerdere en latere passages, hoofdstukken en appendices. Soms laat de auteur zich verleiden tot een anekdotisch terzijde. Over de Duitse beeldhouwer Jörg Syrlin die circa 1470 prachtige beelden sneed voor de koorbanken van de kathedraal van Ulm, vermeldt hij de legende die vertelt dat de kunstenaar na voltooiing van het werk, door zijn opdrachtgevers werd blindgemaakt. Zij wilden voorkomen Syrlin ooit nog zoiets moois (voor een ander) zou maken.

Een omvattend overzicht van de sibilleniconografie als dit bestond nog niet. Het is daarom een zeer welkome aanvulling op de bestaande lexica en studies op het gebied van het voortleven van de oudheid in het christelijke Westen. De uitvoerige filologische aandacht die is besteed aan inscripties bij de voorstellingen draagt ook veel bij aan de overlevering van aan sibillen toegeschreven teksten uit Oudheid en Renaissance. Dat compenseert de vrijwel exclusieve aandacht van het boek voor monumentale, onverplaatsbare kunst, terwijl we over de sibillen in losse schilderijen, sculpturen en tekeningen weinig te weten komen.