Barbaren, stop met slopen en leer te bewaren

Marita Mathijsen: Vroeger is ook mooi. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 272 blz. € 17,95.

Historisch besef: ik dacht altijd dat dat bij mij wel goed zat, maar na het lezen van de essays van Marita Mathijsen ben ik daar niet meer zo zeker van. Ik behoor tot de ‘barbaren’ die dingen weggooien die volgens haar bewaard zouden moeten blijven: oude familiefoto’s waar onbekenden opstaan, meubels die nog best opgelapt hadden kunnen worden, in onbruik geraakt speelgoed dat mooie herinneringen had kunnen opleveren aan de tijd waarin de kinderen nog klein waren.

In Vroeger is ook mooi, een bundeling van 19 essays, trekt Mathijsen fel van leer tegen de slopers van de geschiedenis. Tegen gemeenteraadsleden die liever een in onbruik geraakte kerk platgooien dan er een nieuwe bestemming voor te zoeken. Tegen mensen die liever een VVV- bon geven dan een echt cadeau, waar vrienden zich aan zouden kunnen hechten.

Als de mensen thuis al geen eerbied hebben voor het verleden, wat valt er dan nog te verwachten van de collectieve bewaarzucht? Mathijsen ziet de sloophamer overal neerkomen. De oude binnensteden? Allemaal omgevormd tot anonieme winkelcentra. Een Limburgs rivierduinlandschap? Weggeslecht. De oude Bommelbrug van Nijhoff? In stukken gezaagd. Het graf van Theo Thijssen? Geruimd. Dit klinkt behoorlijk narrig en mopperig, maar Mathijsen weet haar weerzin tegen onze wegwerpcultuur heel kordaat en smakelijk over te brengen. Ook in haar beschouwingen over boekwinkels en bibliotheken, leeshongerigen en luie lezers krijgt ze de lachers gemakkelijk op haar hand. En steeds weet ze ons ervan te overtuigen dat in de 19de eeuw, niet toevallig precies de eeuw waarin zijzelf gespecialiseerd is, de oorsprong te vinden is van welke moderne ontwikkeling dan ook.

Op de vraag of zijzelf in die 19de eeuw had willen leven, geeft ze een behoedzaam antwoord. Niet als vrouw in elk geval – en al helemaal niet als vrouw uit de lagere kringen. Vrouwen hadden in die tijd niets in de melk te brokkelen en mochten vaak niet eens naar school. Het is duidelijk dat Mathijsen het liefst in de voetsporen zou zijn getreden van een 19de-eeuwse man. De onweerstaanbare romanticus Bilderdijk? De onovertroffen stilist en ideeënman Multatuli? De grote essayist Busken Huet?

Uit alles blijkt dat Jacob van Lennep, schrijver van onder meer historische romans, haar grote voorbeeld is. Een maatschappelijk betrokken figuur, die overal bovenop zat. Hij was het aan zijn stand verplicht, meende hij, om goede werken te verrichten voor de samenleving, en had kennelijk energie voor twee. Hij zat in de Tweede Kamer, regelde standbeelden, deed aan monumentenzorg, hielp armlastige kunstenaars verder, liet het Amstel Hotel bouwen, redde en passant de Ridderzaal die men had willen slopen, liet het Noordzeekanaal graven en voorzag Amsterdam, iets geheel nieuws in die tijd, van schoon drinkwater uit de duinen.

Mathijsen meldt geamuseerd dat Van Lennep er een dubbele moraal op nahield – zoals zovelen in zijn tijd. Hij was een vrouwengek, die minstens drie buitenechtelijke kinderen verwekte. Deze misstappen maken hem in de terugblik alleen maar aantrekkelijker, zo lijkt het. Geen stijve hark dus, maar een jager, geen braaf burgermannetje, maar een vrijbuiter – en dan ook nog eens uitgerust met heel veel historisch besef.