39 nieuwe gedichten en ze zijn allemaal goed

Strak in de vorm, scherp, met een mooi mengsel van spijt en spot, chic en grof, grimmigheid en geestigheid. Wigman houdt ons en zichzelf een spiegel voor.

Menno Wigman: Mijn naam is Legioen. Prometheus, 72 blz. €14,95

Menno Wigman begint zijn nieuwe bundel met een gedicht over zijn pik. Ik kan er wel omheen draaien, maar zo is het nu eenmaal. En het is ook helemaal zo bedoeld. Het is het eerste gedicht dat we tegenkomen. Het staat los van de andere gedichten. Sommige dichters richten zich in hun openingsgedicht tot hun lezer. Of tot hun uitgever. Of tot hun critici. Of tot hun geliefde. Menno Wigman richt zich ‘Tot mijn pik’. Dat is verrassend.

Nog verrassender: het gaat niet zo goed met de dichter van dit pikgedicht. Hij meldt dat het ‘wat koud’ wordt en dat ‘de dagen van glas’ zijn. Dat wijst op afstand en een gebrek aan contact. Het gevoel van doorzichtigheid hoort ook bij het stemmingsrepertoire van zwaarmoedigen: ik ben van glas, iedereen kijkt dwars door me heen. Wigman voegt er nog iets aan toe: ‘De dagen zijn van glas, gewapend glas en Seroxat’. Gewapend glas is draadglas, dat vaak wordt gebruikt voor de ramen van gesloten inrichtingen. En Seroxat is een anti-depressivum. Het gaat dus niet zo goed. Het dichten lukt ook niet meer. Hij klaagt over en tegen zichzelf, in die typisch doorgedraaide vorm waarin moedelozen over zichzelf kunnen klagen. Hij vindt zichzelf ‘een zak’, omdat hij de woorden niet kan vinden ‘voor alles waar geen woord voor is’. Maar hij vindt zichzelf ook een zak omdat hij daar nu weer in de vorm van een gedicht over schrijft.

En dan richt hij zich in zijn moedeloosheid maar tot zijn pikvriendje, die er ook alweer niks van terecht heeft gebracht: ‘En jij, / mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?’ Het is een grappige wending. De gekwelde en zwaarmoedige dichter die hem niet meer omhoog krijgt, richt zijn frustratie nu maar rechtstreeks op het lamlendige ding – alsof het geen deel van hemzelf uitmaakt.

Het mopperende toontje houdt een paar regels aan (‘kom op, je slaapt al dagen in mijn broek’), maar succes blijft uit. Zo brengt hij de dagen door: ‘Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin.’ En dan volgt er weer een sterk beeld: ‘En naakt als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.’ Het klinkt mismoedig, en uitgeblust. Het sliert een beetje, het heeft in de verte nog iets met opwinding te maken, het is ‘naakt’, maar het is ook al weer meteen ‘naakt als water.’ Dat sluit aan bij het doorzichtige glas.

‘Ooit wist je alles van genot’, zegt de veertigjarige tegen zijn pik, en misschien ook wel tegen zijn vroegere ik, en misschien vielen die toen wel heel goed samen. Het was ‘iets met voltage’. Ook weer mooi gezegd. We denken meteen aan hoogspanning. En vonken die ergens vanaf springen. Het was ook iets met ‘wijsheid’, maar die is nu ook weg. Zijn pik weet het niet meer. Ooit wees hij vanzelf de weg, ooit was hij ‘mijn sleutel’, mijn sleutel tot genot, maar nu niet meer. De pik is moe.

Met dit sleutelgedicht opent Menno Wigman zijn nieuwe, vierde bundel, zeven jaar na Dit is mijn dag (2004). Een impotentievers, een depressieklacht – dat is nog eens een binnenkomer. Het zet de toon voor de rest. Ze staan alle 39 min of meer in het teken van verlies, onmacht en hulpeloosheid. Ze staan alle 39 ook min of meer op zichzelf en kunnen heel goed zelfstandig gelezen worden – ook al zijn ze dan opgenomen in zeven afdelingen met een strakke spiegelstructuur (1-7-7-9-7-7-1). En alle 39 zijn ze goed, op alle niveaus, net als het pikgedicht. Strak in de vorm, scherp, met een mooi mengsel van spijt en spot, chic en grof, grimmigheid en geestigheid. De poëzie van Wigman is altijd ik-lyriek: een gekwelde ziel die zijn klachten en verlangens uitzingt. Maar Wigman probeert zichzelf tegelijk ook zoveel mogelijk tegen het licht te houden, waardoor zijn persoonlijke gedichten vanzelf ook portretten van een generatie, of van de tijdgeest worden.

In een van deze gedichten richt hij zich tot ‘een man in de supermarkt’. Een voorspelbare, inwisselbare figuur, ‘klein, dik, met onbemand gezicht / die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.’ Wigman denkt dat hij de alledaagse gedachten van die man kan lezen, maar als het erop aankomt, moet hij inzien dat het er in zijn eigen hoofd net zo aan toegaat – en dan sloft hij maar weer door, ‘de rij in, dan naar huis, deurmat, ijskast, / de bank, de oven, later weer die slaap.’ Hij lijkt toch wel heel erg op die inwisselbare supermarktman met zijn ‘onbemande’ gezicht en de voorspelbare inhoud van zijn supermarktkarretje. En dan moet hij in de slotregel nog een andere gedachte toestaan: ‘Ik ben zo bang dat je niet eens bestaat.’ Misschien is die Ron of Ruud alleen maar een projectie. Maar ook even deze schok: misschien is Wigman niet helemaal goed bij zijn hoofd. En misschien weet hij dat van zichzelf.

Er zijn meer van die snijdende momenten. Het is oudejaarsavond, aan het einde van een jaar waarin de dichter stil leefde en tot weinig kwam. Nu zit hij in een taxi. Buiten is het feest. Vuurwerk, geschreeuw, kussende mensen. Hij ziet het gebeuren, zonder er deel aan te hebben. ‘Ik kijk. Ik zie.’

Er zijn een paar gedichten waarin het gaat over het gekkengesticht Den Dolder. Er zijn een paar gedichten waarin Wigman doordringt in de levens van anonieme zwervers, dood gevonden, onderdeel van het project Eenzame Uitvaart. Er zijn gedichten waarin Duitsland, de jaren dertig en de oorlog tot leven komen, met weer andere vormen van waanzin tot gevolg: de dierentuin is gebombardeerd en de gewonde dieren verspreiden zich over de stad. ‘Een hert hinkt weg / en op het kerkdak hekst een condor rond.’ Er zijn portretten van het lege leven in winkelstraten, kermisweken, de treurige gang naar een tuincentrum in Osdorp en van de massavaccinaties. ‘De naald gezet, de bovenarm gebet, / dan met een bloedgang weer de snelweg op.’

Ik vind alle gedichten goed, maar toch vind ik het moeilijk er iets overkoepelends over te zeggen. Wigman wil stem geven aan wat er in hem leeft, maar hij wil zichzelf ook ontvluchten. Hij wil ons af en toe wel een spiegel voorhouden, maar ook zichzelf. Hij is rusteloos zoekende. Hij is de weg kwijt nu de pik niet meer de richting aangeeft. Wie is hij? Hij weet het echt niet. ‘Ik wil de hemel en ik wil de straat.’ Hij is als de man uit de bijbel, door onreine geesten bezocht, op de rand van de waanzin, die op de vraag (van Jezus) naar zijn naam antwoordt: ‘Mijn naam is Legioen, want we zijn met velen.’ Naar deze man heeft Wigman zijn bundel genoemd. Er zit iets van waanzin bij, en van bezetenheid, en van een aanraking door het hogere – en van zelfspot. Hij is nog van poëzie te genezen, als hij de ware maar tegenkomt.