Stenen gooien helpt niet, jongens

De euforie van de Arabische Lente is voorbij.

De werkelijkheid is dat het hoogopgeleide Tunesië wel een kans op verbetering heeft, maar Egypte nauwelijks.

De lente heeft niet doorgezet in de Arabische wereld. Behalve misschien in Tunesië zijn de vooruitzichten ook niet veelbelovend. In Egypte laat het leger overtuigend zien dat het greep wil houden op de macht, Libië is vooral een wapendump en Jemen, dat al werd verscheurd door problemen, desintegreert steeds verder.

En dit zijn dan nog de landen waar vastgeroeste leiders zijn weggestuurd of -gedreven, of, in Jemens geval, hebben beloofd te vertrekken. In Bahrein is de opstand voorlopig neergeslagen. Het Syrische regime kan het duidelijk niet schelen hoeveel bloed het moet vergieten om overeind te blijven. Op de koning van Bahrein na zijn Arabische vorsten, met en zonder oliegeld, nog amper in problemen gekomen.

De zo aanstekelijke euforie is voorbij. De jonge mensen met hun laptopjes en iPhones op het Tahrirplein in Kairo zijn zelf ook naar huis geknuppeld of gemarginaliseerd. Bloggers zijn gevangen gezet. Voorzover er verkiezingen zijn gehouden, zijn die ruim gewonnen door oude of nieuwe moslim-fundamentalistische partijen. De islam is een vertrouwde ideologie voor de burgers, niet het seculiere liberalisme van de Facebookjeugd.

Had het anders kunnen lopen?

Toen de Tunesische sterke man Zine al-Abidine Ben Ali zo onvoorstelbaar makkelijk ten val kwam, en maar een paar weken later de Egyptische president Hosni Mubarak door het leger overboord werd gekieperd, leek geen Arabische leider meer veilig. Bijna alle landen, tot en met de rijke Golfstaten, delen immers de problemen die de jonge Tunesiërs en Egyptenaren in beweging hadden gebracht. Een grote jeugdwerkloosheid. Corrupte autoriteiten. Repressie. Uitzichtloosheid dus.

Libische jongeren bonden de strijd aan met Gaddafi, die nog niet lang tevoren zijn veertigjarig machtsjubileum had gevierd. In Bahrein pakte de shi’itische meerderheid haar campagne voor democratisering weer op die een einde zou moeten maken aan haar structurele achterstelling. Zelfs in Syrië, verreweg het meest autoritaire land sinds de Amerikanen in 2003 Saddam Hussein elimineerden, gingen burgers de straat op en trotseerden de tanks van het regime.

Alles leek mogelijk – maar dominotheorieën worden zelden bewaarheid. De Britse historicus en revolutie-expert Eric Hobsbawm zei tegen de BBC dat in de analyse van de opstanden te weinig rekening is gehouden met de verschillen tussen de Arabische landen.

Koningen hebben meer legitimiteit dan presidenten. Ze zijn er niet alleen voor de aanhang van een regeringspartij, maar voor alle burgers. Hun dynastieën hebben historische basis.

Olielanden hebben genoeg geld om protesten af te kopen. De Saoedische koning Abdullah trok meer dan 130 miljard dollar uit voor onder andere werkloosheidsuitkeringen en huisvesting voor jongeren. Hij stuurde ook honderden miljoenen naar koning Abdullah van Jordanië, een bondgenoot die naar verhouding armlastig is.

De conservatieve sunnitische meerderheidsislam van de Golfstaten verhoudt zich slecht tot protest tegen de leider. Geestelijk leiders hadden weinig aansporing van regeringszijde nodig om demonstraties te verbieden.

Koning Mohammed VI van Marokko had in vergelijking met andere regimes al veel hervormingen doorgevoerd en zijn reactie op de protesten was méér hervormingen door te voeren. Libanon is geen autocratie en kent culturele vrijheid. De Algerijnen herinneren zich maar al te goed wat geweld protest kan uitlokken en hebben evenmin als Libanon een sterke leider die als mikpunt kan dienen. Daarentegen liep het vat met wrok tegen het regime makkelijk over in Tunesië, Egypte, Libië en Syrië. Stuk voor stuk landen met versteende oude mannen aan het bewind die er niets meer van begrepen. Jemen was al een optelsom van opstanden en rebellieën.

Vandaar dat dezelfde basisproblemen in de Golfstaten nauwelijks protest losmaakten maar elders wel. Bahrein, waar de oppositie shi’itisch en niet conservatief-sunnitisch is, is de uitzondering die de regel bevestigt. Vandaar dat er in Marokko, Algerije en Libanon niet veel gebeurde.

De verschillen bepalen ook de latere ontwikkelingen in de Arabische wereld. Het is niet toevallig dat de vooruitzichten het best zijn in Tunesië: een compact land, met maar 10 miljoen inwoners, relatief hoog opgeleid, een relatief goed ontwikkelde economie ondanks de enorme corruptie van de familie-Ben Ali, geen grote sektarische tegenstellingen, het leger verhoudingsgewijs op de achtergrond.

Plaats daartegenover Egypte, met 85 miljoen inwoners, meer dan de helft niet tot zeer laag opgeleid en levend op of onder de armoedegrens, en een leger dat sinds zestig jaar aan de macht is, de economie beheerst en daarvan graag de vruchten wil blijven plukken. Het doorgaand protest tegen de houdgreep van het leger vormt een aanslag op de economische situatie doordat toeristen en investeerders wegblijven. Het leger demoniseert nu de resterende jonge demonstranten als hooligans, drugsgebruikers en straatschenders in dienst van een ongenoemd buitenland.

Daarbij vinden de militairen gehoor bij de bevolking die geen revolutionair dividend krijgt maar juist de werkloosheid nog verder ziet stijgen. De staatsmedia, die het leger controleert, houden meer invloed op de massa’s dan de tweets van de revolutionairen. In tegenstelling tot de vrolijke verwachtingen van februari 2011 vertoont de nieuwe orde in Egypte veel gelijkenis met de oude.

Het is nog lang niet klaar in de Arabische wereld. De fundamentalisten, die als de huidige trend doorzet met zo’n tweederde van de stemmen uit de Egyptische verkiezingen komen, moeten een verstandhouding met het leger vinden. In Libië concurreren tientallen milities die uit de oorlog tegen Gaddafi zijn overgebleven om machtsposities. Democratie is een onwaarschijnlijke uitkomst; burgeroorlog een mogelijkheid. Protest in Bahrein suddert voort. In Jemen is de oppositie onderling slaags geraakt en het is lang niet zeker dat president Saleh als machtsfactor is uitgeschakeld.

De zwaarste strijd wordt nog gestreden in Syrië, waar de opstand er als een burgeroorlog begint uit te zien. Het enige dat zeker is is dat er nog talloze doden zullen vallen. Het regime heeft te veel bloed vergoten om te kunnen overleven. Maar wie worden de opvolgers? Israël, Iran, Irak, Libanon maken zich grote zorgen. De uitkomst kan de hele regio destabiliseren.