Oost-Europees swingen

Ze begonnen op straat, nu staan ze op beroemde podia. De Amsterdam Klezmer band geeft volgende week in Paradiso zijn duizendste concert.

Het ene moment speel je joodse liedjes op het Rokin, en heb je de mazzel dat een voorbijganger je vraagt of je voor een paar centen op zijn bruiloft wilt komen spelen. Vijftien jaar later ben je een wereldnaam met je orkest, is Noord-Korea zo’n beetje het enige land ter wereld waar je nog niet op tournee bent geweest. Dat is in het kort de geschiedenis van de zeven leden tellende Amsterdam Klezmer Band.

Tussen die twee momenten liggen 999 concerten – aanvankelijk jarenlang op bruiloften en feesten, maar met de jaren steeds meer in dans- en concertzalen – en negen albums. Hoog tijd voor een feestje voor de band die als weinig andere vijftien jaar lang de stemming er bij anderen heeft ingebracht. Volgende week is in Paradiso het duizendste concert en ter ere van het vijftienjarig jubileum heeft de groep zijn eerste live-cd uitgebracht, Mokum, met een selectie greatest hits: klezmer-traditionals als Di zilberne chassene en Limonchiki, maar vooral ook eigen nummers als Di naie chuppe, Takaj Zhizn of Chassid in Amsterdam. „Wat je op die plaat niet kunt horen”, zegt trompettist Gijs Levelt, „is de manier waarop Job als een soort opperstalmeester door roeien en ruiten gaat om het publiek tot dansen te brengen. Hij rust niet voordat ze uit de plaat gaan.”

De band begon als trio, het septet van nu is in 2001 ontstaan. Toen is ook Alec Kopyt als zanger in de band opgenomen. die in 1978 uit Odessa in de Sovjet-Unie naar het Westen was gevlucht, en als enige is opgegroeid met joodse amusementsmuziek. Kopyt zingt in het Russisch, met een wat doorrookte stem.

De groei kwam geleidelijk: van spelen op straat – ook in het buitenland – naar festivals en georganiseerde optredens in cafés, die met een heuse affiche werden aangekondigd. In 2001 was hun eerste clubtour, en saxofonist en zanger Job Chajes weet nog zijn aangename verrassing „toen op het Oerol-festival plotseling iedereen stond te swingen”. Het op bruiloften opgedane vermogen „de mensen te pakken en niet meer los te laten” bleek je ook in groter verband te kunnen gebruiken.

Vanaf 2002 werd de band steeds vaker gevraagd om in theaters op te treden. Chajes: „Ik vond dat in het begin wel moeilijk. Je staat in het theaterlicht voor een zwart gat, waarin mensen op de stoelen zitten.” Levelt: „Ik vond het juist wel fijn, als mensen luisteren hoef je niet altijd zo te beuken.”

Zo’n verschil in perceptie kenmerkt de verscheidenheid binnen de band die, zoals hun website zegt, „voor de helft van de straat en voor de helft van het conservatorium komt”. Chajes ging ooit van school omdat hij de muziek in wilde, en gebruikte zijn WW-uitkering om saxofoon te leren spelen. Levelt komt van het conservatorium in Amsterdam.

Belangrijk was het idee om in 2006 een remixalbum uit te brengen, waarop onder andere Shantel, C-mon en Kypski en La Boutique fantastique met het repertoire van de Amsterdam Klezmer Band aan de gang gingen. Chajes: „De hype van de Balkan beats kwam toen op, maar er waren eigenlijk nog maar weinig platen.” Sindsdien wordt werk van de groep veel gesampled, en spelen ze steeds vaker in het buitenland.

Van de zeven bandleden hebben er vier een joodse achtergrond. Maar bij de keuze voor klezmer lijkt dat weinig rol te spelen. „Mijn ouders waren joods maar niet belijdend”, zegt Chajes. „Ik ben niet om mijn joodse achtergrond deze muziek gaan spelen, maar omdat ik deze muziek ging spelen ben ik me wel gaan afvragen wat die joodse achtergrond eigenlijk betekent.”

Voor Levelt, wiens ouders van sefardische afkomst waren maar katholiek opgevoed, is de keuze voor klezmer eveneens een keuze voor muziek: „Een probleem met jazz, wat ik gestudeerd heb, is dat het zo Amerikaans is. In Nederland hebben wij niet een gemeenschappelijke muzikale achtergrond – vandaar dat ik me voor muziek met een Europese achtergrond ben gaan interesseren, dat voelde oprechter.”

Maar waarom je dan tot klezmer beperken? Net als Levelt hebben nog veel andere leden een brede belangstelling voor nog heel andere muziekvormen, al of niet uit Oost-Europa: zigeunermuziek, Turks, Grieks, jazz, ska, noem maar op. In 2003 maakte de band al eens een fusion-album met de Turkse Galata Gypsy Band. De neiging muzikaal niet alleen maar de blik op klezmer te richten, leidde in 2008 tot het album Zaraza – dat een veelheid in muziekstijlen in zich bergt.

Daar was Job Chajes niet blij mee: „Als je zowel de joodse toonladder als de oriëntaalse harmonie die eigen is aan klezmer laat varen, snij je naar mijn gevoel de navelstreng van onze band door. Maar omdat we sinds 1998 gedemocratiseerd zijn, moet ik vaak een stap terug doen. Want ik wil ook graag met goeie musici spelen.” Levelt zag dat anders: „Als ik een nummer schrijf, denk ik niet in klezmer-idioom, maar in het idioom van onze band. En waarom zouden we dat niet kunnen oprekken?”

In ieder geval werd voor het vorig jaar verschenen album Katla een andere opzet gekozen: niet meer elk wat wils maar een voltallige vergadering waarin een subcommissie werd benoemd die de formule voor een samenhangend album samenstelde en aan zes bandleden (zanger Kopyt schrijft alleen teksten) een opdracht voor drie composities verstrekte. Daarbij waren ritme en karakter in grote lijnen vastgelegd. Van die achttien stukken zijn veertien op de plaat terechtgekomen.

„Ik vind dat we de kernachtigheid van het begin hebben hervonden”, zegt Chajes tevreden. „Ach, het is een kwestie van perspectief”, vindt Levelt. Want wat was klezmer rond 1900 immers anders dan amusementsmuziek die naar hartelust leentjebuur speelde bij andere muziekstijlen? „Dus denk ik soms wel dat wij de nieuwe traditionals maken. Dat hoop ik: dat ze over 80 of 90 jaar onze muziek spelen.” Het debat gaat voort, maar eerst is het feest.

1000ste concert Amsterdam Klezmer band 19 januari 20.30u. Paradiso Amsterdam. Inl. paradiso.nl