JSF steeds lastiger voor Nederland, orders naar Noorwegen en Turkije

Al jaren twijfelen politici in Nederland over aanschaf van de JSF. Minister Hillen van Defensie heeft dus wat uit te leggen bij zijn bezoek aan de VS. De Nederlandse industrie, die meer compensatieorders wil, verbijt zich.

Steven Derix

Vandaag bezoekt minister van Defensie Hans Hillen Washington, voor zijn eerste ontmoeting met zijn Amerikaanse collega Leon Panetta. Sinds vorig jaar, toen duizenden geheime codeberichten van de Amerikaanse diplomatieke dienst op straat kwamen te liggen, is bekend hoe dit soort gesprekken meestal verloopt.

Panetta zal Hillen kapittelen over de bezuinigingen. Hij zal erop aandringen dat Nederland militair méér gaat doen in Afghanistan. En Panetta zal Hillen aanspreken op de halfslachtige Nederlandse deelname aan de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter. Hoe betrouwbaar is Nederland eigenlijk nog, als het maar geen besluit kan nemen over de JSF?

Minister Hillen moet het gesprek voeren vanuit een lastige positie. Een Kamermeerderheid – inclusief gedoogpartner PVV – is kritisch over het Amerikaanse gevechtsvliegtuig. Voor deze kritische meerderheid benadrukt Hillen keer op keer dat de regering de definitieve beslissing over de opvolger van de F-16 heeft doorgeschoven naar een volgende kabinetsperiode. De JSF, kortom, is niet het probleem van Hans Hillen.

Maar tegenover de ongeruste Amerikanen zal Hilleneen andere toon moeten aanslaan: die van een loyale bondgenoot die vastbesloten is door te gaan met de JSF. Want als Nederland het Amerikaanse vertrouwen verliest, staan miljarden aan orders voor de Nederlandse luchtvaartindustrie op het spel.

Die miljarden, daar was het allemaal om te doen in 2002. Tien jaar geleden besloot het tweede kabinet-Kok om deel te nemen aan de ontwikkeling van de Amerikaanse Joint Strike Fighter, het nieuwe jachtvliegtuig dat straks de ruggengraat moet gaan vormen van de Amerikaanse luchtmacht.

Door 850 miljoen euro te investeren in de ontwikkelingsfase van de JSF, zou de Nederlandse industrie in de toekomst kunnen rekenen op grote orders, als er vanaf 2012 duizenden JSF’s van de band zouden gaan rollen. Vliegtuigbouwer Lockheed Martin beloofde vele miljarden aan omzet. Het politieke debat van die dagen ging daarom niet of nauwelijks over de vraag welk toestel het meest geschikt zou zijn om de F-16’s van de Koninklijke Luchtmacht te vervangen. Ministers en Kamerleden spraken vooral over de business case van de JSF.

Destijds stond één ding vast: meedoen met de JSF betekent ook kopen. Maar tien jaar later is dat ineens een stuk minder zeker geworden. Nederland heeft twee testtoestellen gekocht à 100 miljoen euro per stuk. Maar het definitieve besluit is opnieuw uitgesteld – ditmaal tot 2016.

Terwijl Nederland aarzelt, beginnen de eerste bestellingen van andere landen binnen te druppelen. JSF-partner Noorwegen maakte bekend dat er geld is gereserveerd voor de eerste vier toestellen. Japan, niet eens een partner in het JSF-project, maakte onlangs bekend dat het 42 JSF-toestellen zal gaan aanschaffen. Vorige week maakte Turkije ineens bekend dat het alvast twee toestellen afneemt. De aankondigingen zijn in belangrijke mate ingegeven door industriepolitiek. Noorwegen eist dat de JSF geschikt wordt gemaakt voor een nieuw type raket, die door de Noorse industrie wordt ontwikkeld. Japan wil dat de bouw van de toestellen in eigen land gebeurt. Ook Turkije wil een assemblagelijn.

De Nederlandse industrie zit zich ondertussen te verbijten. Sinds 2002, hebben Nederlandse bedrijven ongeveer een miljard euro aan opdrachten binnengesleept in het JSF-project. Vooral luchtvaartbedrijf Stork tekende de afgelopen jaren een aantal grote ‘raamcontracten’ met vliegtuigbouwer Lockheed Martin, voor de levering van onderdelen en bekabeling. Geschatte toekomstige waarde: 4,5 à 5 miljard euro. Voorwaarde is wél dat Nederland de JSF ook echt afneemt. „Als Nederland afhaakt zullen de huidige contracten komen te vervallen”, zegt een ingewijde.

Wat geldt voor de productie, geldt nóg sterker voor het toekomstige onderhoud aan de JSF – een gigantische markt, waar volgens de Nederlandse industrie zo’n 20 miljard is te verdienen. Bij de verdeling van de onderhoudscontracten staat Nederland inmiddels op achterstand, zegt de ingewijde. „Nederland heeft wel twee testtoestellen gekocht, maar we zeggen er de hele tijd bij dat het definitieve besluit nog niet is genomen.” De Noren en Turken zijn in het openbaar loyaal – maar onderhandelen op de achtergrond. De contracten voor het motoronderhoud zijn naar verluidt inmiddels vergeven aan Noorwegen en Turkije.

Volgens de industrie zou minster Hillen daarom wel wat enthousiaster mogen zijn. Maar het is moeilijk om geestdrift op te brengen voor een programma waarvan de kosten de pan uit rijzen. Vorige maand lekte een rapport uit over aanhoudende technische problemen met de JSF. Zolang die problemen niet zijn opgelost, is het opstarten een groot risico, aldus het Pentagon. Waarnemers verwachten dat er opnieuw zal worden ingegrepen in het programma – voor de derde keer sinds 2010.

Hillen probeerde deze week een middenweg te bewandelen. Na een bezoek aan de JSF-productielijn in Fort Worth noemde de minister het een uitdaging „om te kijken of we een meerderheid kunnen krijgen bij de Nederlandse bevolking en de Tweede Kamer”. Maar er was ook een waarschuwing. Als Lockheed Martin Nederland „binnenboord” wil houden, zullen ze daar „moeite voor moeten doen”, zei de minister.