Hoppen van ene naar andere toernooi zonder beter te worden

De Nederlandse turnsters doen bij de Olympische Spelen weer niet mee aan het teamtoernooi. Oorzaken: geen structuur en geen langetermijnvisie.

Op olympisch niveau wil het maar niet vlotten met de Nederlandse turnsters. De laatste decennia was er een golf aan bemoedigende, goede, aardige of zelfs aansprekende internationale resultaten, maar het is alweer 36 jaar geleden dat Nederland zich als team voor de Olympische Spelen plaatste.

Wie kent nog Monique Bolleboom, Jeanette van Ravestijn of Ans van Gerwen, die in 1976 het hart van de Nederlandse turnploeg vormden bij de Olympische Spelen in Montreal? In Londen ontbreekt over zeven maanden opnieuw een Nederlands team. Omdat de turnsters – voor de zoveelste keer – op het beslissende moment niet goed genoeg waren.

Het vrouwenturnen in Nederland is niet goed gestructureerd. Die conclusie kan na negen mislukte kwalificaties op rij wel getrokken worden. En daarin moet hoognodig verandering komen, reageerde bondscoach Gerben Wiersma gisteren op de uitschakeling voor de Spelen in Londen. Hij denkt de oplossing wel te weten. Maar of de turnbond KNGU meegaat in zijn plannen is de vraag. Omdat ambitieuze plannen doorgaans veel geld kosten. En dat is in beperkte mate beschikbaar.

Wiersma raakt de kern van het probleem als hij vaststelt dat in Nederland een visie op lange termijn ontbreekt. De turnsters worden jaarlijks klaargestoomd voor Nederlandse, Europese en wereldkampioenschappen zonder tijd te nemen voor een structurele verbetering van hun niveau. Ze hoppen van kampioenschap naar kampioenschap zonder echt beter te worden.

In de jaren dat plaatsing voor de Olympische Spelen aan de orde is, wordt Nederland steevast voorbijgestreefd door landen die de jaren ervoor lager gerangschikt waren. Neem Brazilië, Frankrijk of Canada. Die landen hield Nederland anderhalf jaar geleden bij de WK in Rotterdam nog ruimschoots achter zich. En wat waren de turnsters destijds (terecht) trots op hun negende plaats – een positie die bij een olympisch kwalificatiemoment plaatsing had betekend. Maar nu de kaarten voor de Spelen verdeeld zijn, gaat niet Nederland maar de Canadezen, Fransen en Brazilianen naar Londen. In die landen is wel de tijd genomen turnsters klaar te stomen voor de Spelen.

Natuurlijk had Nederland pech dat de drie sterkste turnsters Céline van Gerner, Joy Goedkoop en Yvette Moshage gisteren bij het olympisch kwalificatietoernooi in Londen ontbraken, maar het is een veeg teken dat er geen gekwalificeerde vervangsters klaarstonden. Nederland viel met drie debutanten zover terug in niveau dat plaatsing voor de Spelen op voorhand een onmogelijke opgave was. Er was gisteren in zoverre niks op de Nederlandse turnsters aan te merken, dat ze stuk voor stuk nette en stabiele oefeningen turnden. Maar de moeilijkheidsgraad lag eenvoudigweg te laag.

Wiersma wenst om die reden „de periodisering aan te passen”. Hij wil met het oog op de Olympische Spelen van 2016 in Rio de Janeiro turnsters uit het geboortejaar 1999 selecteren. Zij zullen zowel een kwalitatieve als kwantitatieve aanvulling op de huidige generatie moeten vormen. Wiersma wil meer aandacht besteden aan niveauverhoging, maar ook een ruimere selectiekeus hebben. Op die manier denkt hij turnsters minder op te jagen meer rust te kunnen geven. Rust die nodig is om in een fysiek zware sport als turnen de programma’s naar olympisch niveau te tillen.

Wiersma wordt nu nog te vaak geconfronteerd met turnsters die basisvaardigheden missen. Neem Lisa Top, een talent van vijftien jaar, dat gisteren in Londen op haar niveau voortreffelijk heeft gepresteerd. Maar zij is in de ogen van de bondscoach te lang bij haar club in Heerhugowaard blijven hangen. Wiersma: „Het is moeilijk haar een afsprong met een hogere moeilijkheidsgraad aan te leren. Maar die is bijvoorbeeld wel noodzakelijk voor een zware brugoefening.”

Wiersma is naar zijn zeggen voortdurend op zoek naar de balans in belastbaarheid. En hij vindt het moeilijk die te vinden, geeft hij eerlijk toe. Wiersma voert veel gesprekken met medici en hoopt dat een onderzoek van de bondsfysiotherapeut Martin Nijkamp naar overbelasting hem nieuwe inzichten verschaft. „Want het blijft bij turnen balanceren op een dun koord”, zegt hij. Toewerken naar topniveau kan volgens hem alleen als talent vroeg wordt herkend, de opleiding eerder ter hand wordt genomen en de nationale selectie wordt verbreed zodat verantwoord en gericht naar de Olympische Spelen kan worden toe gewerkt.

Als Wiersma 1999 als selectiejaar neemt, praat hij over meisjes die in 2012 dertien jaar worden. Hoe verantwoord is dat in een sport waar turnsters nog maar al te vaak over de kling worden gejaagd? Wiersma spreekt tegen dat die aanpak tot een zwaardere belasting leidt. Juist veel trainen op wedstrijdoefeningen is volgens hem onverantwoord zwaar. Tijdens trainingen eindigen sprongen in kuilen met schuimrubber en niet op harde vloeren zoals bij het oefenen op wedstrijdvormen. Daarom wil ik selectiever kunnen zijn in de keus voor wedstrijden.”

Zijn mooie plannen ten spijt weet Wiersma niet of hij de gelegenheid krijgt die uit te voeren. De Friese trainer heeft een contract als bondscoach tot 1 januari 2013. In februari krijgt Wiersma van de bond te horen of ze met hem verder wil tot en met de Spelen van 2016. Aan hem zal het niet liggen. „Ja, ik wil verder. Want ondanks alle teleurstellingen ben ik trots op wat ik bereikt heb.”