Graffiti in Tripoli

Met spotprenten van Gaddafi en andere kunstuitingen tonen Libiërs eindelijk hun creativiteit. Maar veel spotprenten zijn alweer over geschilderd.

‘Mia Mia”, lacht Ali Mustafa Ramadan (73) in Café Casa in de oude stad van Tripoli op de vraag hoe het gaat. ‘Mia Mia’ is Arabisch voor ‘100 procent’. „Na 42 jaar Gaddafi-dictatuur kan de toekomst alleen maar beter worden”, zegt Ramadan. In het straatbeeld van Tripoli is geen enkel portret van Gaddafi meer te vinden. De ene na de andere muziekband wordt gevormd. Rappers zijn vaak te zien op de zeven nieuwe tv-zenders. Hun videoclips met beelden van de revolutie worden druk bekeken op YouTube. In Benghazi wordt het Rebirth Festival of Freedom georganiseerd, dat het grootste muziekfestival in Noord-Afrika wil worden. Sinds het Arabisch niet langer de enig officieel toegestane taal is, kwamen al meer dan 200 nieuwe kranten en tijdschriften in allerlei talen beschikbaar.

‘Game over’, ‘Free Libya’, ‘Thank you Nato’ en ‘Allah is groot’ – de kreten zijn overal in Tripoli op de muren te lezen. Ze staan tussen prachtige graffiti die getuigen van de woede, vreugde, humor, hoop en rancune. De spottekeningen tonen een bange Gaddafi in een vuilnisvat, als een rat in een muizenval of hangend aan een paal. De leus ‘Dag warrig hoofd’, zoals Gaddafi denigrerend werd genoemd, staat overal.

Veel spotprenten zijn na de geslaagde opstand alweer overgeschilderd. Winkeliers hebben toch liever dat hun pand er schoon uitziet.

„Daardoor heeft belangrijk cultureel erfgoed eigenlijk maar kort bestaan”, zegt kunstenaar Hadia Gana (38). Ze wil het huis van haar familie verbouwen tot een cultureel centrum. Net als Ali Mustafa Ramadan is zij zich sterk bewust van de culturele waarde van deze visuele getuigen van een ingrijpende periode. Beiden zijn tijdens de revolutie in Tripoli gebleven. Meteen daarna hebben ze weken achter elkaar graffititekeningen gefotografeerd. Nu werken ze aan een boek en zoeken geld om dat in eigen beheer te kunnen uitgeven.

Revolutie van de jeugd

Het zijn vooral jongeren die hun woede via graffiti luchten. Eindelijk kunnen ze hun lang onderdrukte creativiteit openbaar uiten. „De revolutie in Libië is de revolutie van de jeugd”, zegt Ramadan. „Het is de Facebook-generatie, die moedig tegen de troepen van Gaddafi heeft gevochten. Zij waren niet bang! De ouderen herinnerden zich de zware repressie van de jaren tachtig en aarzelden om in opstand te komen.”

Al tijdens de revolutie was het verzet soms poëtisch inventief. Zo werden stiekem heliumballonnen opgelaten met anti-Gaddafi-leuzen en de vlag van de revolutie. Omdat het gevaarlijk was betrapt te worden, gingen de actievoerders ’s ochtends, voor de zon opkwam, met hun ballonnen per auto door de wijken. De touwtjes van de ballonnen zaten vast met ijsklontjes. Pas als de zon die gesmolten had stegen de ballonnen op. „Hun aanblik gaf de inwoners van Tripoli hoop en sterkte het vertrouwen dat Tripoli niet helemaal een Gaddafi-bolwerk was”, zegt Hadia Gana. Anderen naaiden de revolutievlag, legden die opgerold in de vriezer en bevestigden het bevroren stuk stof heimelijk in de vroege ochtend aan bruggen. De vlaggen rolden vervolgens in de warmte van de ochtendzon open en wapperden aan bruggen boven het ochtendverkeer.

Ook de muziek is nu in Libië een ventiel voor de creativiteit, vreugde en hoop van de jeugd. Op een hoek van het Martelarenplein – vroeger het Groene Plein – staan standjes met zelf gebrande en gekopieerde cd’s. Een mengeling van revolutionaire marsmuziek, volksliederen en rap dreunt uit grote luidsprekers. Een van de pioniers van de politieke rapmuziek in Libië is een rapper die onder het pseudoniem Ibn Thabit werkt. Al onder het regime van Gaddafi moedigde hij met zijn hit Call to Libyan Youth jongeren aan te demonstreren. „Rapmuziek werd in de tijd van Gaddafi vooral via mobiele telefoons verspreid”, schrijft het jongerenmagazine The Libyan. Ook de bekende Libische zanger Aimen El Houni heeft een cd met revolutieliederen opgenomen. „Take that freedom, take that soul. You are the one that has control!” wordt gerapt in het Arabisch, het Amazigh (de taal van de Berber) en in het Engels. Die laatste twee talen waren tot voor kort verboden.

Ontwerp van geld

„De aandacht voor de jongerencultuur was vroeger ondenkbaar”, zegt Hadia Gana. Niemand mocht in de schijnwerpers staan, behalve Gaddafi. „We hebben in een jurybijeenkomst van de Nationale Bank besloten geen personen op de nieuwe bankbiljetten van Libië af te drukken. Men wil rivaliteiten vermijden tussen stammen en steden.” Hadia Gana is met andere kunstenaars betrokken bij het ontwerp van het nieuwe Libische geld. Ruim 100 inzendingen zijn binnengekomen naar aanleiding van een oproep op televisie om mee te denken.

„Het verzoeningsproces en de verandering van vaste sociale patronen, zoals het taboe om in het openbaar over de verkrachtingen te spreken, zijn grote uitdagingen”, zegt filmmaker Tariq Emedi (28). Emedi is medeoprichter van de Groep 212 – refererend aan het kookpunt van water bij 212 graden Fahrenheit. De groep bestaat uit jonge filmmakers, ontwerpers en fotografen. „We willen met onze korte documentaires sociale ontwikkelingen en misstanden in kaart brengen”, vertelt hij. Hun documentaires over de situatie in ziekenhuizen, het ontwapeningsproces of interviews met voormalige gevangenen verspreiden ze via de sociale media zodat iedereen er snel toegang toe heeft. Een recente 212-documentaire vertelt het verhaal van Enass Dokhali (26), die acht jaar oud was toen haar oom Muftah Garroom na een mislukte aanslag op Gaddafi live op televisie werd opgehangen. Dokhali zat in de gevangenis tijdens de recente revolutie en heeft nu haar eigen organisatie opgezet. Alle leden zijn voormalige gevangenen, die gegevens verzamelen over mishandelingen om een bijdrage te leveren aan de veroordeling van de verantwoordelijken.

Ook de reclamewereld werkt mee aan de opbouw van de nieuwe samenleving in Libië. Hythem Elghoul (33) is medeoprichter van Groep 212 en tevens eigenaar van reclamebureau Semat. Dat heeft onlangs voor de NTC (National Transitional Council) de zogeheten Samenhorigheidscampagne gelanceerd. Op grote billboards zijn overal in Tripoli foto’s te zien met verschillende etnische gezichten, voorzien van leuzen als ‘we werken samen’, ‘we leren samen’ en ‘we bouwen samen’.

De nieuwe vrijheid betekent voor kunstenaars dat ze zich aan geen enkele vorm van censuur meer hoeven te onderwerpen. De recente schilderijen van Yousseff Fatis (45) bevestigen dat. In de kelder van zijn huis schildert hij met krachtige kleuren en dynamische lijnen op lange papierrollen: gevangenisscènes en verschrikte gezichten staan naast overvolle straten, een Gaddafi-karikatuur en zich uitstrekkende naakte lichamen. „Deze werken zouden eigenlijk voor het brede publiek te zien moeten zijn”, zegt Ramadan. „Maar op dit moment hebben de verzorging van de duizenden gewonden en de vorming van een nieuwe functionerende staat grotere prioriteit.” Fatis en andere kunstenaars wachten niet tot ooit het eerste kunstmuseum zijn deuren in Tripoli zal openen. Ze hebben net als vele jongeren de muren van de hoofdstad beschilderd.