Een warme omelet is waargeluk

De Hema biedt voor 1 euro een ontbijt: stokbroodje omelet, croissant, kuipje jam en een kop koffie of thee.

De ene vaste klant zwijgt, de ander praat met alles wat beweegt: ‘Moet je een krantje?’

Dat wat er aan mensen op dit vroege uur op de dijk loopt, is winkelpersoneel op weg naar een nieuwe werkdag. Ook staan er wagens van bezorgdiensten die voorraden aanvullen. In een steeg ligt naast een schoenendoos een plas braaksel. De Amsterdamse Nieuwendijk om negen uur ’s morgens: een kermis voor openingstijd.

Bij de Hema zijn de deuren net geopend. De mensen die zich voor de pui ophielden, stappen over de drempel van het warenhuis. Voor de serviezen, rijwielen, onderkleding, babyspullen en tuingerei tonen ze geen belangstelling. Ze verdwijnen naar het restaurant op de eerste verdieping. Daar gonst het van het geroezemoes.

Het restaurant heeft de afmetingen van een bedrijfskantine van een grote fabriek. Het moet vreemd lopen, wil je geen vrije tafel vinden. Op het buffet staan tientallen ontbijtjes op kartonnen borden klaar. Voor een euro krijg je een stokbroodje omelet, croissant, kuipje jam en een kop koffie of thee. In een gestaag tempo worden ze weggepakt. Enkele klanten met haast vragen bij de kassa om een tasje en of ze de koffie in een kartonnen beker kunnen meenemen. Het zijn jonge mensen in merkkleding met een motoriek die erop wijst dat ze al een achterstand hebben opgelopen op schema. Na betaling snellen ze richting uitgang. De rest van de klanten heeft meer tijd. Zij zoeken een tafeltje.

Het is kort na negenen en een lange, zwaarlijvige man met het postuur van een worstelaar arriveert. Zijn grijzende haardos verbergt hij onder een zwarte spoeling. Hij loopt op pantoffels en stoot grommende geluiden uit als hij aan zijn tafel plaatsneemt. Hij heeft zijn stek onder de pijl met de verwijzing naar de toiletten. Aan tafel omsluit hij zijn ontbijt met zijn vrije arm. Met de andere werkt hij het naar binnen.

Als het op is, leest hij een gratis krant en scheurt er berichten uit. Een paar minuten later staat hij op voor een tweede ronde. Op de weg terug wordt hem de doorgang belemmerd door een man die een krant probeert te pakken te krijgen. Gratis kranten gaan hier van hand tot hand. Een grimas van onvrede verschijnt op het gezicht van de worstelaar. Hij wil naar zijn bank. Eten. Koffie. Kan niet. Man staat in de weg. Hij gromt wat en het obstakel maakt ruimte.

Weer aan tafel verdwijnt wat er voor hem staat in zijn lobbige gezicht. Als ook dit blad naar binnen is gewerkt, gaat hij tussen de spullen op de afruimkar op zoek naar een mes. Hij blijkt het nodig te hebben om er de punt van een potlood mee te scherpen. Daarna schrijft hij iets op in een schrift. Hij blijft er vervolgens in lezen en zijn lippen bewegen mee. Als hij opkijkt en constateert dat niemand zich met hem bezighoudt, leest hij te midden van gebruikt serviesgoed en een waaier aan kruimels verder.

Het ontbijt is een precaire maaltijd. Zo vroeg onder de mensen en dan ook nog veelal vreemden. Ontbijtgasten die geen behoefte hebben aan contact zijn hier, net als klanten die dat wel willen, aan het juiste adres. Aan de eerste vragen ontkom je niet: koffie of thee? Is deze stoel vrij? Moet je een krantje? Maar het loopt niet de spuigaten uit. De een gaat er in mee, een ander moet er niets van hebben. Het personeel houdt zich nauwelijks met de gasten bezig. Je wordt ook niet weggekeken.

Tegen half tien – op het moment dat de worstelaar zijn tweede ontbijt heeft gekocht – verschijnt er een Indische man bovenaan de trap. Zijn bruine pantalon heeft strakke vouwen. Zijn vest heeft mouwen die zijn afgezet met leren elleboogstukken; motten hebben bij hem geen kans. Je vermoedt dat hij het huis niet verlaat zonder vrouwelijke instemming. Hij is slank als een jongeman.

Als hij aankomt bij zijn tafel neemt hij plaats zonder de worstelaar te begroeten. Ze zien elkaar vijf dagen in de week, maar wisselen geen woord. Toch zitten ze elkaar ook niet in de weg.

De Indische man is een theedrinker. Hij laat zijn theezakje lang uitlekken boven de kop en vervolgens pakt hij een lepeltje, legt het zakje erop en wikkelt het koordje om de buidel zodat het tot de laatste druppel benut wordt.

De worstelaar slurpt zijn koffie weg.

De Indische man kauwt met een flink volle mond, maar bij hem is het geen schrokken. Zijn croissant eet hij met een vorkje alsof het een gebakje is. Servetten zijn aan hem goed besteed. Ze komen als nieuw uit de borstzak van zijn polo’s en overhemden. Hij lijkt bang zonder te komen zitten, zoveel draagt hij er mee. Op een gesprek met anderen stelt hij weinig prijs. ‘Niet gek wat je voor een euro krijgt.’ De Indische man kijkt me aan met de blik van een schooljongen die na jaren weer eens een beurt krijgt en kijkt weg. Geen woord uitgebracht. Als hij na dertig minuten vertrekt, zet hij zijn dienblad in de afruimkar en laat hij zijn tafel brandschoon achter.

Vier Hemamensen verzorgen het ontbijt. Honderd tot honderdvijftig bladen per dag. De Hema slaat met de ontbijtstunt het stille eerste uur stuk. Het brengt reuring in de zaak en met de stroom mensen wordt ook de omzet in gang gezet. Een wat schuwe jongen ruimt af. De cheffin springt overal bij en weet van wanten. Het is aanpoten, dit eerste uur. Bij grote drukte trekken ze mensen weg van de ondermode of kinderkleding.

De omeletten komen kant-en-klaar binnen en zijn bij het opdienen koud. „Welke zijn het warmst?” vraagt een man in de rij. „Warm?” reageert de cheffin die druk aan het beleggen is. „Als je een warme hebt, heb je geluk.” Kuipjes jam komen uit een grote doos. Doorstroom: afruimen, smeren, tafeltjes afnemen, inruimen, afrekenen. Het is niet dat contact verboden is, maar het personeel kan het er niet bij hebben. Er zijn koffiehuizen en lunchrooms waar serveersters je naam kennen, belang in je stellen, het tot gesprekken komt en waar je de rekening de volgende keer kunt voldoen. Maar ja: een euro.

De Hemakoffie is goed. Het is wel zo dat koffie koffie is. Voor een espresso of cappuccino betaal je bij. Geen gedoe, geen speciale wensen. Rechttoe rechtaan. Vaste klanten hoor je hier niet over klagen. Een vers bakkie met wat te eten erbij! Bacon op de omelet. Een croissant. Keuze uit vier soorten thee.

Op de begane grond mag de Nieuwendijk nauwelijks licht vangen, het restaurant baadt in het zonlicht. Het uitzicht bestaat uit de blinde muur van een oude bioscoop, afgeplakte vensters van opslagruimtes waar vagelijk stellingen en rekken herkenbaar zijn, een kantoor waar een vrouw naar een beeldscherm staart. Een paar panden verder bakt de banketbakker taarten en wordt ijs bereidt. Kozijnen zijn afgebladderd. Richels en randen hebben duivenwerende prikkers.

Het is kwart voor tien. De worstelaar is er met zijn handen rustend op de ronding van zijn machtige buik bij ingedommeld. Op oude, kale pumps komt een vrouw aangesneld. Ze loopt als een vrouw die heus wel weet hoe dames op hakken behoren te lopen. Met haar neus in de lucht komt ze aan bij een bank. De keuze voor de bank is er een die vastberaden lijkt, maar als ze plaats heeft genomen, schiet ze omhoog als door een punaise in de billen gestoken. Ze pakt het dienblad weer op en zucht heel diep. Dit was er een voor de omstanders.

De schuldige moet gezocht worden in de oude man die een paar meter verder zit. Hij leest er de gratis krant en peilt daarna bij andere mensen of ze belangstelling hebben voor een krantje. Soms volgt er een gesprekje op. Met deze vrouw zal het niet zover komen. Zij laat zich door niemand benaderen. Zij weet waar mannen op uit zijn. Leer haar mannen kennen. Ze kent het klappen van de zweep. Ze slaat er de ogen ook nog bij neer. Altijd hetzelfde liedje. Met het dienblad voor zich loopt ze naar een andere tafel en gaat zitten. Vijf minuten later krijgt ze gezelschap van een man die wel gewenst is en die ze duidelijk voor zichzelf wil houden.

De man van de kranten heeft er geen aanstoot aan genomen. Zijn naam is Dirk en hij is 82 jaar, alleenstaand. Hij slaat geen dag over. Hij draagt kleding die in naam netjes is: pantalon, colbert, hemd. Om zijn hals en pols hangen kettingen met grote schakels en aan zijn vinger heeft hij een zegelring. Hij begroet alles en iedereen. Hij komt ’s morgens met een flinke stapel kranten aanzetten. Hij zit midden in de zaal en ontvangt in de loop van de ochtend verschillende vrienden. Als zij hem vragen hoe het gaat, brengt hij verslag uit en besluit met: „Moet je een krantje?”

Een vaste tafelgenoot zit tegenover hem: „Je moet je broodje ook opeten hoor”, zegt Dirk. „Eet je die wel op of geef je die aan de duiven? Duiven vreten alles.” „Ik ben geen duif”, reageert de man. Dirk: „Wat ben je wel? Een vreemde vogel? Nee, geintje. Maar als je hem niet opeet, kun je het aan hem daar geven. Moet je een broodje? Je kunt zijn broodje krijgen.”

Naarmate de ochtend vordert, vliegen zijn vrienden uit. Dirk wendt zich dan tot andere tafels. Tot kinderen, medewerkers, moeders, vaders, honden, alles wat beweegt. Hij zit vaker gedraaid dan dat hij recht zit. „Is je moeder er niet?” vraagt hij een vrouw. En later tegen een ander: „Het leven is kei-hard.”

Als hij vijf voor tien op weg gaat naar de uitgang, merkt hij twee dames van in de dertig op. Zussen? Vriendinnen met een snipperdag? „Moeten jullie een krantje?”, vraagt hij. Ze bedanken hem en nemen de krant aan. „Da’s dan drie euro.” De twee vrouwen lachen met hem mee, hoewel eentje zich zuchtend afwendt. „Drie euro? Neem dan maar weer terug”, zegt de andere vrouw. „Twee is ook goed. Nee hoor, geintje.”

Met een laatste restje beschaving probeert ze hem af te schudden, maar Dirk praat verder alsof hij een bekende tegenover zich heeft. Als hij wil vertrekken, schiet hem nog iets te binnen. Hij begint weer en legt zijn hand op de schouder van de meest geïrriteerde. Daarna blaast hij de aftocht. Bij de balie zwaait Dirk naar het personeel en wenst ze een fijne dag. Alleen een Marokkaanse medewerker zwaait vrolijk terug.

Het is tien uur. Op de valreep grijpt nog iemand een laatste ontbijtje mee. Dan is het afgelopen. Morgen weer een dag. Op de counter zijn met zalm belegde pistolets, gebak en saucijzenbroodjes verschenen. De prijs van koffie is weer normaal. Voor het personeel is de druk van de ketel. Veel van de vaste gasten zijn al vertrokken of maken aanstalten. Niet dat ze weg moeten, maar na tienen arriveert een ander publiek: de winkelende mensen. Beneden, bij de serviezen, rijwielen, onderkleding, babyspullen en tuingerei is het al drukker. Op straat loopt meer volk. De muziekinstallaties zijn ingeschakeld. En de overige winkels hebben de deuren geopend.