De regionale schouwburg als verleider

Regionale schouwburgen betrekken hun publiek bij de programmering. „De directeur kan niet meer zeggen dat de thuisblijver ongelijk heeft.”

‘Vanavond hebben we een uitverkocht huis”, zegt directeur Wybrich Kaastra van Schouwburg Ogterop in Meppel. Zij noemt zichzelf „gastvrouw”. Over de laat negentiende-eeuwse schouwburg spreekt ze liefdevol als „de schatkamer van Meppel”. De toeschouwers stromen binnen voor de muziektheatervoorstelling Ramses over het leven van Ramses Shaffy. Rond zes uur ontving Wybrich Kaastra de artiesten. Nu, om half acht, heet ze de bezoekers welkom. Zij zijn haar gasten.

„Ik wil van de schouwburg een huis van de gemeenschap maken”, vervolgt Kaastra. „De directeur van schouwburgen in de regio liet zich vroeger leiden door het aanbod. Dat idee is radicaal veranderd. Schouwburgdirecteuren stellen zich nu wervend op jegens het publiek. Ik organiseer rondetafelgesprekken waarin trouwe bezoekers hun wensen kenbaar maken over de programmering.”

Bij Schouwburg Kunstmin in Dordrecht vindt iets vergelijkbaars plaats: de Kroontjesavonden. Directeur Maarten Verhoef nodigt toeschouwers uit van gedachten te wisselen over de programmering. Het aanhalen van de band met het publiek noemt hij „een overlevingsstrategie in economisch zware tijden”.

Deze nieuwe vorm van programmeren gebeurt in veel regionale schouwburgen. Gedwongen door gemeentelijke bezuinigingen op de programmeringssubsidie moeten ze voor bijna de volle 100 procent eigen inkomsten genereren. Zo zag theater De Speeldoos in Vught de gemeentelijke exploitatiesubsidie verminderd met een kleine 80 procent. Volgens directeur Hans Selfischberger staan de theaters in de provincie „aan de vooravond van een kentering”. Selfischberger: „De kleine en middelgrote, zelfstandige zalen moeten met efficiënte bedrijfsvoering het hoofd boven water houden. Dat vereist een andere invulling van het directeursschap. De nieuwe lichting heeft vaak een economische achtergrond. Onze missie is zakelijk en inventief denken.”

Meer dan ooit is duidelijk dat een schouwburg een bedrijf is. Volgens Selfischberger „doorstaan veel bedrijven de huidige economische onzekerheid niet”. De schouwburgen in de provincie vooralsnog wel, sommige zelfs boven verwachting, zoals De Speeldoos, Ogterop en ook Het Munttheater in Weert. Dat is te danken aan een nieuwe omgang met het publiek. Aanwezigheid van de directeur bij de voorstellingen, marketing, Facebook, Twitter en het peilen van publieke meningen horen daarbij. Dat laatste deed een schouwburgdirecteur zo’n tien jaar terug niet of minder.

Volgens directeur Verhoef van Kunstmin is deze nieuwe wijze van programmeren begonnen in de provincie. „In de schaduw van de Rotterdamse Schouwburg moet ik mijn identiteit bewaren. Hoe meer ik Kunstmin bind aan de inwoners van Dordrecht, des te meer is de schouwburg zichtbaar in de stad.” Selfischberger zegt hierover: „Vroeger kon de schouwburgdirecteur zeggen dat de thuisblijver ongelijk heeft. Nu denk ik: de thuisblijver brengt mij geen geld. Dus de wegblijver moet over de streep gehaald worden.”

Maar betekent het vraaggerichte programmeren ook dat er voor het serieuze repertoire minder plek is in de regio? Sommige regionale schouwburgen programmeren nog maar drie keer per maand serieus toneel. Maar zowel Selfischberger als Kaastra onderkennen het belang van kwalitatief hoogstaand theater – zij programmeren dat als deel van een „breed palet”. Ook directeur Brigitte van Eck van Munttheater in Weert ontkent dat schouwburgen enkel nog makkelijke voorstellingen brengen, als cabaret en musical. „Als je dat doet, haal je het fundament weg onder een schouwburg. Toeschouwers willen ook naar het gesubsidieerde, serieuze repertoiretoneel kunnen gaan, van bijvoorbeeld Toneelgroep Oostpool, Zuidelijk Toneel of Toneelgroep Amsterdam. Deze vorm van theater beschouw ik als toegevoegde waarde. Neem je dat weg, dan verlies je het als schouwburg. Bovendien gaat de belangstelling voor musicals hard achteruit, daar verlies je tegenwoordig op.”

Roofvogeldagen

Nederland telt ruim 150 kleine en grotere schouwburgen. Dat biedt speelplekken voor allerlei vormen van theater: van het gesubsidieerde repertoiretoneel tot cabaret, musical, dans en amateurkunst. Maar het is ook de plek voor plaatselijke harmonieën, roofvogeldagen als in Meppel, zakelijke partijen en zelfs Marokkaanse bruiloften, als in Dordrecht. Directeur Van Eck is uitgesproken over de plaats die haar schouwburg inneemt in Weert: „Het is een huis van de stad. Dat blijkt uit intensieve samenwerking met carnavalsvereniging en de fanfare. In aanloop naar carnaval komt hier een aantal uitverkochte Bonte Avonden.”

Directeur Harold Warmelink van De Flint in Amersfoort vindt dat theater „een totaalbelevenis” moet zijn. „De magie begint niet om kwart over acht en eindigt evenmin als het doek valt. Ik zoek mogelijkheden om de verleidingskracht van een avond theater te vergroten. In de toekomst is een telefoontje naar De Flint voldoende om behalve de kaartjes ook de oppasservice te regelen, de taxi naar de schouwburg, een diner, de voorstelling en het nagesprek met de kunstenaars in de foyer. Alle obstakels die theaterbezoek in de weg staan, moeten worden weggenomen. Daarmee sluiten we aan bij een trend: kunst als onderdeel van een complete ervaring.”

Toch is het beeld hardnekkig dat het slecht gaat met het gesubsidieerde theater in de regio. Die voorstellingen worden door de schouwburgen nauwelijks geboekt: Mephisto van Toneelgroep Maastricht bijvoorbeeld speelt op tournee maar 17 keer. En als zo’n voorstelling er al staat, zou het publiek wegblijven. Onzin, volgens Kaastra. „Ik heb in de kleine zaal met het kwetsbare, gesubsidieerde aanbod een zaalbezetting van 70 procent.”

Dat het slecht gaat weerspreekt ook Martin van Ginkel, directeur van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD). Hij noemt twee voorbeelden: onlangs brandde Het Speelhuis in Helmond af. Zowel de gemeente als de inwoners en trouwe bezoekers willen het theater terug. Nieuwbouw is eensluidend bepleit als „centrum van de gemeenschap”. De VSCD heeft onderzocht dat in 2010 meer dan de helft van de bezoekers (55,4 procent) uit de eigen gemeente komt. Dit onderbouwt de noodzaak van publieksaandacht.

Renovatie

Ook in Lochem in de Achterhoek komt de eigen schouwburg in de aandacht: op 30 januari wordt deze na grootscheepse renovatie heropend met 430 zitplaatsen. Kosten: 3,4 miljoen euro. Directeur Mirjam Radstake trad vijf jaar geleden aan. „In 2005 was de gemeente nog van zins om de deuren van de schouwburg te sluiten. Heel Lochem viel over de raad heen en het theater is behouden gebleven. Sterker: er komt een gerenoveerd gebouw met moderne faciliteiten. Dankzij diepere zij-tonelen kunnen we nu dansvoorstellingen brengen.”

Volgens Radstake vormt de directeur „het gezicht van het theater”. „Een schouwburgdirecteur moet zichtbaar zijn en de schouwburg moet een warm en persoonlijk onthaal bieden. Na afloop praat ik met de bezoekers. Ik vraag hun oordeel en houd daar rekening mee bij de programmering voor het volgende seizoen.”

Ondanks de inspanningen van de directeuren hebben twee genres het moeilijk in de regio: dans en het meer experimentele theater van gezelschappen als ’t Barre Land en Dood Paard. Schouwburg Ogterop bezit, naast de grote zaal, een kleine zaal waar Kaastra haar autonomie in de programmering waarborgt. Deze zaal reserveert ze voor vernieuwend theater of aankomende cabaretiers. Kaastra: „Vraaggerichte programmeren is niet zaligmakend. De schouwburgdirecteur moet ook passie hebben voor complexe vormen van theater. Het gaat erom de ideale balans te vinden tussen vernieuwend en conventioneel.”