China weet zich geen raad met golf zelfverbrandingen

Steeds meer Tibetaanse monniken en nonnen steken zichzelf in brand uit protest tegen de Chinese repressie. De autoriteiten reageren met de inzet van meer politie.

In de aanloop naar de Chinese en Tibetaanse nieuwjaarsvieringen, deze en volgende maand, hebben de Chinese autoriteiten de Tibetaanse prefecturen in de provincies Sichuan en Qinghai afgesloten en onder extra militaire bewaking gesteld.

Aanleiding is de onrust na nieuwe zelfverbrandingen van drie Tibetaanse monniken uit protest tegen de Chinese campagne tegen de dalai lama. In totaal hebben tot dusverre vijftien Tibetaanse monniken en nonnen „zichzelf opgeofferd” voor de Tibetaanse zaak, de laatste afgelopen zondag.

Om deze monnik, de 42-jarige Tulku Sopa, te eren en tegen de Chinese controles te protesteren, houden duizenden monniken in de Dharlag Golok-prefectuur in Qinghai sinds maandag iedere dag stille marsen door het hooggelegen stadje.

Ook de bevolking is in actie gekomen door sinds gisteren op straat, in extreme koude, lange rijen te vormen om de monnik Sopa, een zogeheten „levende Boeddha”, te eren.

Sopa bekleedde een leidende functie in het door hem gestichte Nyanmo-klooster en was ook het hoofd van de plaatselijke lagere school.

Hij is de oudste en tot nu toe hoogste monnik die zichzelf in brand heeft gestoken en dat is volgens Tibetaanse organisaties buiten China een teken dat de situatie in de Tibetaanse gebieden verder is verslechterd. „Sinds hem verboden was naar India te reizen om de dalai lama te bezoeken had Sopa het gevoel dat hij zijn vrijheid had verloren en geen andere keuze meer had dan zichzelf op te offeren”, zegt een oom van de monnik vandaag in een telefoongesprek.

Het was ook voor het eerst dat in de westelijke provincie Qinghai een lama zichzelf overgoot met benzine en vervolgens zichzelf met een aansteker in brand zette. Qinghai gold tot voor kort als de Chinese provincie waar de Tibetanen een relatief vrij bestaan konden leiden.

De meeste zelfverbrandingen vonden plaats in buurprovincie Sichuan, waar de monniken in de regio Aba met grote regelmaat botsen met de Tibetaanse en Han-Chinese autoriteiten. Op de toegangswegen naar Aba zijn opnieuw militaire controleposten geplaatst (onder andere om buitenlandse journalisten te weren) en in de steden en dorpen patrouilleren militaire eenheden.

Uit een telefonische rondgang langs kloosters in de Tibetaanse gebieden van Sichuan en Qinghai en langs contacten (toeristengidsen en chauffeurs) blijkt dat de zelfverbranding van de levende Boeddha Sopa voor grote beroering heeft gezorgd en wordt besproken tijdens officieel verboden bijeenkomsten.

De Chinese autoriteiten vrezen dat Sopa’s dood de start kan zijn van een nieuwe golf van confrontaties, vergelijkbaar met de incidenten in 2008. In verschillende gebieden worden leidende monniken „uitgenodigd” voor patriottische lessen en „informatiebijeenkomsten”, meldt een bron in Sichuan.

Het fenomeen van zelfverbrandingen onder de Tibetaanse monniken deed zich voor het eerst voor in 2009 en piekte in 2011. De acties worden in verband gebracht met de Chinese reactie op de rellen in 2008 in Lhasa, de hoofdstad van de Tibetaanse Autonome Regio, en in de Tibetaanse prefecturen van Sichuan, Qinghai en Yunnan. Sinds die botsingen zijn de controles op de kloosters uitgebreid en is de bewegingsvrijheid van de monniken ingeperkt.

Op de zelfverbrandingen, die steeds meer internationale aandacht krijgen, hebben de Chinese autoriteiten tot nu toe geen ander antwoord kunnen verzinnen dan de politiecontroles uitbreiden. China verwijt de dalai lama de overwegend jonge monniken te hebben aangezet tot de zelfverbrandingen. In het geval van de levende Boeddha Sopa is dat lastiger, gezien de leeftijd en status van deze monnik.

De zelfverbrandingen hebben tot nieuwe kritiek geleid van het Witte Huis en de Canadese regering. Ze riepen China op de controles op de kloosters en de „onderdrukking van de vrijheid van religie’’ op te heffen.