Alles is van iedereen

In muziek en film, maar ook in de beeldende kunst wordt steeds meer materiaal van anderen gebruikt. De Amerikaanse kunstenaar Richard Prince verloor een belangrijke rechtszaak van een Franse fotograaf van wie hij beelden gebruikte in schilderijen. Mag alles grondstof zijn of zijn er grenzen?

Op een vergadertafel ergens in het New Yorkse advocatenkantoor van David Boies en zijn machtige partners stond onlangs op een middag een grote zwarte archiefdoos. Deze bevatte rauwe, soms hilarische handgemaakte collages van foto’s en tijdschriftpagina’s van topkunstenaar Richard Prince, kunstwerken die de basis zijn voor een van de meest angstvallig gevolgde auteursrechtszaken in de beeldende kunst.

In maart oordeelde een federale rechtbank in Manhattan dat Prince – die zijn carrière heeft gebouwd op de toe-eigening van andermans beeldmateriaal – de wet had overtreden door zonder toestemming foto’s uit een boek over rastafari’s te gebruiken voor collages en een reeks schilderijen. Die werken brachten – zelfs naar de maatstaven van de hedendaagse kunstwereld – al snel veel geld op: een ervan zelfs bijna 2,5 miljoen dollar. „Wauw. Ja”, antwoordde Prince toen een advocaat hem in de rechtbank onder ede vroeg of dit bedrag klopte.

Na deze uitspraak gingen overal bij galeries en musea de alarmbellen rinkelen. De kern van de zaak, waarin Prince hoger beroep heeft aangetekend, draait om het zogeheten fair use-beginsel, een soort citaatrecht. Het stelt kunstenaars in staat om voor bepaalde doeleinden andermans materiaal gebruiken, met name als dit gebruik leidt tot een veranderde vorm – of zoals een juridisch artikel het verwoordde: als die nieuwe vorm zodanige „waarde aan het origineel toevoegt” dat dit een culturele verrijking is voor de samenleving als geheel.

In de zaak-Prince werd deze altijd moeilijk te bepalen norm voor vormverandering zeer strikt opgevat. Kunstenaars en musea waarschuwden dat zo de deur van het fair use zo goed als gesloten wordt en dat de traditie van de toe-eigening, die op zijn minst teruggaat tot Picasso en aan veel moderne kunst ten grondslag ligt, wordt bedreigd. Diverse musea, waaronder het Museum of Modern Art en het Metropolitan, schaarden zich achter Prince. Geleerden en juristen uit het andere kamp prezen het vonnis als een welkome correctie.

De zaak heeft in ieder geval een fundamentele waarheid van ergens net buiten de juridische discussie in de publieke arena gesleurd. De stroom van creatieve expressie op basis van de miljarden direct beschikbare digitale foto’s en video’s is in hoog tempo zo sterk geworden, en het recyclen van beelden gebeurt zo reflexmatig, dat het moeilijk voor te stellen is dat een rechter die nog kan afremmen, laat staan stuiten. Hierbij steekt de kunstzinnige diefstal van Prince bijna victoriaans af.

The Clock

In veel opzichten is de beeldende kunst er laat bij met dit soort auteursrechtelijke spanningen. Bij muziek en film speelt het probleem al langer en zijn uitvoerige systemen van toezicht en toestemming ontstaan. Maar er zullen steeds meer juridische problemen komen, deels doordat er op de kunstmarkt zoveel geld omgaat, maar vooral door het enorme aantal ontleningen.

Een willekeurige blik op de hedendaagse kunst van de afgelopen paar jaar volstaat om deze omvang te schetsen. De groepstentoonstelling Free in het New Museum in 2010 was deels zelfs ingericht rond het idee van de ontleningscultuur, hoe internet het begrip toe-eigening drastisch herordent, „niet als opstandige daad van diefstal of deconstructieve kritiek, maar als een manier om doordacht en actief deel te nemen aan een internationale cultuur”, zoals conservator Lauren Cornell schreef.

De razend populaire video The Clock van Christian Marclay uit 2010 was 24 uur lang citaat, bestaande uit duizenden aan elkaar geplakte fragmenten met wijzerplaten uit films en tv-programma’s. Marclay is voor de jaren tachtig geboren. Maar wie het werk van jongere kunstenaars bekijkt – die zich niet de tijd van voor het web kunnen herinneren – beseft pas echt de snelheid en veranderende aard van de toe-eigening.

„Voor de generatie waar ik mee omga, is aan toe-eigening geen enkele ideologische bagage meer verbonden”, zegt Stephen Frailey. Hij geeft leiding aan de fotografieopleiding van de School of Visual Arts in Manhattan. „Ze vinden dat je een afbeelding die in de gedeelde digitale ruimte is beland, gewoon mag veranderen, bewerken, uitbreiden, verbeteren; geheel naar eigen goeddunken. Ze zien dat niet als subversieve handeling. Ze zien internet als een samenwerkende gemeenschap en beschouwen alles op dat net als grondstof.”

Tegelijkertijd verspreidt zich het gereedschap om die bergen grondstof te delven en bewerken. In november verscheen een app voor de iPad genaamd Mixel, die zich richt op amateurs, maar die vast ook zijn weg naar kunstenaars zal vinden. Hiermee zijn afbeeldingen van internet of elders te halen en bijna moeiteloos om te zetten in collages, die de maker dan via de sociale media ter beoordeling of re-mixing rond kan sturen.

Een van de makers, Khoi Vinh, antwoordt openhartig op de vraag of zijn app geen vloedgolf van auteursrechtelijke problemen teweegbrengt. „Dit is echt zo’n geval waarin je iets moet doen en uitproberen en dan later maar om vergeving moet vragen. Anders komt er nooit wat van.” In een promotiefilmpje voor Mixel dat een eerbetoon is aan Sesamstraat, beklemtoont de vriendelijke verteller: „Kies maar uit wat je inspireert.” Die simpele aansporing raakt de kern van de zaak-Prince.

Het auteursrecht heeft altijd een ingewikkeld evenwicht bewaard tussen handel en cultuur. Het probeert creatieve producten zodanig te beschermen dat mensen de economische prikkel houden om te creëren, zodat bijvoorbeeld een nieuwe film niet onmiddellijk wordt gekopieerd en de filmer van inkomsten wordt beroofd. Maar de wet maakt ook creatief kopieergebruik mogelijk: de fair use.

De laatste paar decennia wordt in de afweging of fair use inderdaad fair is, steeds meer betrokken in hoeverre het gekopieerde een andere vorm heeft gekregen. Oftewel: ook al is de tijd allang voorbij dat we iets geheel nieuws onder de zon konden maken, kopiëren mag alleen worden toegestaan voor zover het bijdraagt aan of voortbouwt op het voorafgaande.

Het is op andere cultuurterreinen, zoals de muziek en de literatuur, vaak al moeilijk om te beslissen of iets al dan niet voldoende van vorm is veranderd. Maar naarmate de auteursrechtelijke spanningen toenemen en de problematiek vaker voor de rechter komt, wordt het vraagstuk lastiger. Vooral omdat het draait om de artistieke bedoeling – in de beeldende kunst vaak een veel grijzer gebied dan in andere kunsten.

Wat waren de bedoelingen van Prince bij zijn hergebruik van de rastafarifoto’s van de Franse fotograaf Patrick Cariou en waarom koos hij ze uit? Omwille van een parodie? Om kritiek te leveren? Of heeft hij gewoon iets uitgezocht wat hem inspireerde?

Dingen verzinnen

Greg Allen heeft onlangs in een boek een kruisverhoor uit de zaak-Prince gepubliceerd, waarin de advocaten van Cariou diep doordringen in het vreemde en vaak ongebaande gebied van Prince’ artistieke intentie. Uiteindelijk stellen ze vast dat hij met behulp van de foto’s zijn fascinatie voor de schilderkunst van Willem de Kooning wilde verkennen en zijn collages en schilderijen ook nog als onderdeel beschouwde van een idee voor een film over een postapocalyptische wereld waarin rasta’s, beroemde literaire lesbiennes en anderen de hotels op het Caraïbische eilandje St. Bart’s in beslag nemen.

„Maar wat doen vier lesbiennes uit het begin van de twintigste eeuw op St. Bart’s tijdens een atoomoorlog, waarom zijn ze daar?” vroeg een advocaat aan Prince, die antwoordde: „Wie zal het zeggen. Dat doe ik nu eenmaal, dingen verzinnen.” Elders in het verhoor vroeg een advocaat: „Wat is de boodschap?” Prince antwoordde: „De boodschap is om prachtkunst te maken die mensen een fijn gevoel geeft.”

Ook legde Prince uit dat hij geen kunst maakte die echt een commentaar geeft op het werk van Cariou. De rechter in de zaak-Prince oordeelde dat pas van een andere vorm kan worden gesproken als een werk „een bepaald commentaar levert op, betrekking heeft op de historische context van, of kritisch terugverwijst naar het oorspronkelijke werk” waaraan het is ontleend. Hieraan voldeed het werk van Prince volgens haar niet.

Volgens de advocaat van Cariou wordt elke bescherming van het auteursrecht onmogelijk als een subjectief beginsel voor ontlening als dat van Prince de wettelijke norm wordt. „Het kan niet voldoende zijn dat hij ‘iets leuk vindt’, want daar zit geen praktische grens aan.”

Maar volgens de advocaat die namens Prince het hoger beroep doet, ligt de grens bij de vraag of uit de ontlening een nieuw kunstwerk voortkwam. En hij betoogt dat Prince onderdelen van de foto’s van Cariou duidelijk tot typische Richard Prince-werken heeft gemaakt en deze niet zomaar heeft gekopieerd om ze als eigen werk te slijten en Cariou het brood uit de mond te stoten.

Of het werk geslaagd was en of de bedoelingen van Prince interessant of zelfs maar verklaarbaar waren, daarover viel te twisten. Maar de primaire bedoeling was volgens de advocaat om een kunstwerk te maken, en dat is het soort creativiteit dat de wet wenst aan te moedigen. „Dit is geen piraterij. Dit zijn geen handtassen.”

Digitale wereld

Het hoger beroep van Prince zal waarschijnlijk in de komende maanden dienen. Maar de uitspraak zal geen antwoord geven op de bredere vraag hoe het auteursrecht zich in reactie op de realiteit van kunstenaars in een digitale wereld zou moeten ontwikkelen of hoe de kunstwereld moreel en ethisch zou moeten reageren. Vaak is al de mogelijkheid geopperd tot invoering van een systeem van toestemming voor afbeeldingen en ander artistiek materiaal, zoals in de muziekwereld. Maar ook voorstanders van strengere auteursrechtelijke normen lijken niet optimistisch dat zo’n systeem in de kunstwereld zou kunnen werken.

Tijdens een debat over de zaak-Prince afgelopen maand door de New Yorkse Orde van Advocaten zei Virginia Rutledge, kunstjuriste en oud-advocaat van Creative Commons, een non-profitgroepering die voor ruimere auteursrechtelijke normen pleit, dat het probleem waarvoor de kunstwereld staat volgens haar evenzeer een „culturele bronvermeldingscrisis” is als een juridische crisis. Maar volgens Hank Willis Thomas, een van de kunstenaars die aan het debat deelnamen, neemt de recycle-en remix-cultuur zo’n snelle vlucht dat een poging om orde te scheppen nu al iets weg had van schieten op een bewegend doel. „Wat er hierna ook komt”, voegde hij hier nog aan toe, „het wordt een dolle boel.”

The New York Times