Alles bewaard in een fles, zelfs een kus

Overal verzamelt Loek Grootjans monsters, die hij conserveert in flessen. Afwaswater en vuil onder nagels, maar ook het pigment dat hij vond in Arles, de plaats waar Van Gogh schilderde.

Eerst is er altijd een hond. Ze heet Foepe, maar in het verleden waren er Belle en Lot, waaraan twee boeken werden opgedragen. Wie de Zeeuwse kunstenaar-filosoof Loek Grootjans (Arnemuiden, 1955) de hand wil schudden, moet eerst langs de hond. De hond van nu is een tweejarige joekel die bijna uit haar witte vel knapt van vreugde. Ze springt op tegen bezoek, rolt in één beweging op de rug en geselt met haar zwiep-staart de grond. Die grond is niet de vloer van Grootjans’ atelier in Breda of zijn huis voorbij de rafelranden van Vlissingen, maar het keurig geboende Museum van Bommel van Dam in Venlo.

Daar is Grootjans vanaf vandaag vier dagen aan het werk in een ‘levend atelier’. Het atelier maakt deel uit van het langjarige project Storage for Distorted Matter. Het bevat een schragentafel met petrischaaltjes, messcherpe abstracte aquarellen met voorstellen voor opslagplaatsen – want Grootjans bewaart alles, tot en met de versleten dekens van zijn moeder. Er is een simpele keukentafel waaraan de kunstenaar nauwgezet beschrijft wat hij doet als kunstenaar. Er zijn vier elektrische kookplaatjes en een tafel met daarop 190 precies genummerde flessen. Een nieuwe fles, wijst de kunstenaar, is in de maak. Uiteindelijk moeten er zo’n 600 flessen komen.

De flessen zijn gevuld met vloeistof – aarderood, grauwzwart, mosterdgeel, beige met blubberige vlokken erin. Het zijn monsters van water, aarde, bomen, van huisstof, afwaswater, schraapsel dat onder de nagels vandaan komt als de dag erop zit en de handen ondanks verwoed wassen niet schoon willen worden.

Grootjans beent door de zaal. Eén fles komt uit Arles en bevat sporen van Van Gogh. „Ik wilde op zoek naar plekken waar Van Gogh in de buitenlucht had geschilderd. Tot mijn grote geluk vond ik resten pigment en olieverf in de bodem.” Een andere fles is gevuld met het aftreksel van olijven en olijvenbladeren uit de boomgaard waar de jonge Leonardo da Vinci vijf eeuwen geleden op uitkeek toen hij tekende.

In Rome bezocht hij het huis van de in 1975 vermoorde filmmaker Pier Paolo Pasolini. Aan de huidige bewoonster vroeg hij toestemming om het huis te dweilen. Dat dweilwater bottelde hij.

Er zijn ook ‘thuis’-flessen, gevuld met zweet van zijn merrie in Zeeland, van zijn ruin, de sporen van de bevriende museumdirecteuren Jan Hoet en Chris Dercon, en vooral: veel waswater van handen die worden gewassen en van een wang waarop de weduwe van de Belgische kunstenaar en dichter Marcel Broodthaers een kus drukte. „‘Heeft u misschien smetvrees’, informeerde ze nog.”

Grootjans’ werk wordt regelmatig in verband gebracht met dat van Broodthaers. Misschien is hij daarom in Nederland – totaal onterecht overigens – onbekender gebleven dan bijvoorbeeld in België of Frankrijk, waar regelmatig exposities van hem zijn.

Grootjans, op zijn 16de verliefd geworden op Mondriaan, daarna opgeleid als schilder, fotograaf en filosoof, lijkt in zijn delicate omgang met taal, zijn heldere, conceptuele aanpak én zijn hang naar het banale op Broodthaers. Maar in zijn totale overgave aan de kunst doet hij denken aan Bas Jan Ader, die op zoek naar het sublieme probeerde in een zeilbootje de Atlantische Oceaan over te steken.

„Ik ben inderdaad op zoek naar ultieme eeuwigheid”, zegt Grootjans zonder een spoortje ironie. „Ik geloof niet in God, ik ben een spinozist. En nee, het is geen grootspraak, dit is risico durven nemen. Zoals Pasolini deed toen hij Salo of de 120 dagen van Sodom maakte en daarvoor vermoord werd. Of zoals Yves Klein deed, toen hij besloot het universum te gaan schilderen. Klein lag op zijn rug op het strand bij Nice met twee vrienden en wees omhoog: ‘Da’s van mij, die hemel, die kleur.’ Begrijpelijk, want als je op die plek in Nice omhoog kijkt, dan is het zo schoon daarboven, zo helder blauw. Daar ga je vanzelfsprekend het universum van schilderen.”

Grootjans’ universum bestaat uit twijfel, onderzoeken, verzamelen, vragen stellen in plaats van antwoorden geven. „Kunst is omdat je dingen niet begrijpt en er geen andere manieren zijn om iets duidelijk te maken. Waarom beschrijft Spinoza alles zo glashelder, en is het nog steeds zo’n chaos in de wereld?”

Het zit hem in de genen: hij is de zoon van een moeder die niets kon weggooien en een vader die in de schrootbussiness „de hele wereld binnenhaalde: piramides van kroonkurken, fluitketels en zelfs afgedankte vliegtuigen”.

Daarom komt alles wat de kunstenaar heeft gedaan en gemaakt samen in Storage for Distorted Matter. Niet alleen het laboratorium met destillaten van nu, maar ook de eerste monochrome schilderijen uit 1988, waarvoor Grootjans zich een maand lang in complete duisternis liet opsluiten.

Of de foto’s en teksten van het absurdistisch-filosofische reisbureau Sugar Mountain Travel, dat hij in 1998 oprichtte. Voorwaarden om mee te gaan waren, behalve een goede conditie: „een sterk verlangen om alles in kaart te brengen” en „een sterk verlangen om niets uit te drukken”.

„Die twee polen, het alles én het niets, de hoofdweg maar ook alle kleine zijweggetjes, alle gebieden die ik vroeger niet durfde in te gaan – performances, installaties – betreed ik in de wetenschap dat ik uiteindelijk toch weer terug word geleid naar die ene grote weg. Dit is mijn leven in destillaten en als dit klaar is, ben ik op alle mogelijke manieren te klonen.”

Loek Grootjans is tot en met 15 januari bezig in Museum van Bommel van Dam in zijn laboratorium Storage for Distorted Matter. Deken van Oppensingel 6, Venlo. Dagelijks open van 11-17 uur. Een deel van Grootjans’ laboratorium is tot en met 4 maart bij Annie Gentils Gallery te zien. Peter Benoitstraat 40, Antwerpen. Wo t/m za 14-18u. Eind januari verschijnt het nieuwe, mede door Grootjans opgerichte kunsttijdschrift Kunstwordtterugkunst.