15 procent werklozen! Waar was je, Barack?

Feitenvrije politiek wordt het genoemd: de langzame aftocht uit het publieke debat van feiten, cijfers en gegevens waarover iedereen het fundamenteel eens is. Liever brengen de deelnemers hun eigen feiten mee. Met als gevolg dat het debat zelf nergens meer over gaat. Wat de economie betreft valt dat in Nederland nog mee. Het CBS heeft een onberispelijke reputatie. En de prognoses van het CPB worden door alle deelnemers in de regel als uitgangspunt genomen voor hun discussie. Nog wel.

De oorsprong van de feitenvrije trend ligt elders: in Amerika. Daar is de polarisatie van het debat al zo veel verder gevorderd dan hier, dat het lijkt alsof er aan weerszijden van het politieke spectrum een andere taal wordt gesproken. Dat is nu even niet zo zichtbaar, omdat het nieuws zich concentreert op het kiezen van een presidentskandidaat ter rechterzijde. Maar als de kandidaat eenmaal bekend is, en het moet raar lopen als het Mitt Romney niet wordt, dan verschuift alles naar het debat tussen de uitdager en de zittende president.

Obama heeft intussen het tij mee, want zijn voornaamste zwakte, de economie, lijkt zijn kracht te gaan worden. Er is sprake van een aarzelend herstel dat in de loop van het jaar net sterk genoeg kan worden om hem in het zadel te houden. Met afstand de belangrijkste maatstaf is hier de werkgelegenheid. In december kwamen er 200.000 banen bij, en de werkloosheid daalde van 8,7 procent naar 8,5 procent. De vraag ligt dus voor de hand of deze cijfers het volgende slachtoffer worden van de feitenvrije politiek. Ze lenen zich er uitstekend voor, want ze zijn aan de chaotische kant.

De banengroei, de zogenoemde non-farm payrolls die elke eerste vrijdag van de maand worden uitgebracht, is op de korte termijn notoir onbetrouwbaar. De bijstellingen van de eerste publicatie zijn vaak zo enorm dat het eerste, oorspronkelijke cijfer vrijwel betekenisloos is. Voorbeeld: in de periode augustus 2008 tot en met juli 2009 leed Amerika een gigantisch werkgelegenheidsverlies van 5 miljoen banen. Tenminste, dat zou je denken als alle eerste publicaties worden opgeteld. Een lawine aan bijstellingen later blijkt het te zijn gegaan om maar liefst 6,8 miljoen banen. Dat is nogal een verschil, dat omgekeerd ook kan optreden als de banengroei juist aantrekt.

De banengroei komt overigens uit een heel ander onderzoek (onder 140.000 bedrijven) dan de werkloosheid (onder 60.000 huishoudens), dat tegelijkertijd wordt gepresenteerd. Vandaar dat een tegenvallende banengroei soms toch gepaard kan gaan met een lager werkloosheidspercentage.

Van die werkloosheid zijn maar liefst zes definities, (de meest strikte: U1, tot de meest losse: U6). Zo was afhankelijk van de definitie in december 2011 5 procent van de Amerikanen werkloos, of 4,9 procent, of 8,5 procent (dit is U3, de meest geciteerde), of 9,1 procent, of 10 procent of maar liefst 15,2 procent. De laatste, de zogenoemde real unemployment, is eigenlijk een onzingetal, maar natuurlijk wel de snoepdoos van de oppositie. George W. Bush werd er door de Democraten mee om de oren geslagen, en ga er van uit dat de Republikeinse kandidaat er straks Obama mee achtervolgt. 15,2 procent, Zo wordt een werkgelegenheidscijfer al snel als een bestelling bij Starbucks: een double decaf soy frappucino. Je ziet de Republikeinse speechschrijvers al voor je. 15,2 procent real unumployment, Barack. waar was je?

Maarten Schinkel

N.B. De auteur twittert, met mate, als @maartenschinkel