We zijn bang voor het kwaad

In dit gepsychologiseerde tijdperk gaan we ervan uit dat het kwaad beheersbaar is.

Maar is dat wel zo? „De blik in de ogen van Nathan was pure evil.”

In de laatste maand van 2011 konden filmrecensenten nog vlug een titel aan hun eindejaarslijstjes met favorieten toevoegen: We Need To Talk About Kevin, van regisseuse Lynne Ramsay. In de film, gebaseerd op de gelijknamige roman van Lionel Shriver, wordt een moeder gedwongen om terug te kijken op haar opvoedingsmethodes nadat haar zoon Kevin een bloedbad heeft aangericht op zijn middelbare school. Naarmate we vaker heen en weer schieten tussen haar miserabele leven in het heden en haar verleden met de opgroeiende Kevin, realiseren we ons dat zij niet medeschuldig is aan de misdaad van haar tienerzoon, hoezeer haar omgeving dat ook wil geloven. We leren de jonge Kevin kennen als iemand die inherent kwaadaardig is, pure evil. Zijn moeder is niet de meest handige pedagoog, maar het lijkt erop dat de zwartharige jongen op geen enkele manier te corrigeren was en onvermijdelijk tot een monster zou uitgroeien. Het kwaad is onvoorspelbaar en dus onbeheersbaar, aldus de film.

Dit is een opmerkelijke invalshoek in ons huidige gepsychologiseerde tijdperk waar de context van de misdaad een belangrijk onderdeel van de strafrechtelijke schuldvraag is. Er wordt nu juist onderzoek gedaan naar de sociale omgeving van de verdachte, als ook naar zijn jeugd – en dus naar de rol van de ouders. En de zelfcorrigerende taak van de maatschappij wordt ook meegewogen. Waarom zagen de buren niets? Deze methode suggereert dat kwade uitwassen voorkomen kunnen worden: als iedereen een perfecte opvoeding geniet, goed sociaal contact opbouwt en goed gecontroleerd wordt door de maatschappij en overheid, zal er nooit meer iemand worden vermoord. We Need To Talk About Kevin gaat hier recht tegenin, met de onprettige boodschap dat we bepaalde kwaadaardige zaken niet kunnen voorkomen of verklaren.

Het kabinet-Rutte heeft het ook niet zo op de gepsychologiseerde rechtspraak. Binnen de nieuwrechtse politiek wordt dit afgedaan als een slappe, linkse hobby. Zij wijzen op de onverbeterlijkheid van bepaalde criminelen. Net als de schrijver van We Need To Talk About Kevin zeggen onze beleidsmakers dat we niet altijd naar de omstandigheden van een misdaad hoeven te kijken. Maar anders dan de makers van het boek en de film blijven zij geloven in de beheersbaarheid van dit kwaad, door middel van de bekende harde aanpak. Deze verharding van het rechtsysteem is overal zichtbaar. In de media verschijnen de laatste tijd veel berichten over uit de hand gelopen politiegeweld, zoals bij de sinterklaasdemonstranten of de gehandicapte oud-voetballer Edu Nandlal. Premier Mark Rutte greep het vreemde voorval met AZ-doelman Esteban aan om zijn begrip voor eigenrichting uit te drukken. Eerder sprak hij al zijn steun uit voor de mannen die een inbreker zo toetakelden dat hij in een coma terechtkwam.

Maar is het kwaad beheersbaar? In het dorp waar ik opgroeide, had je ook een aantal Kevins. De ergste was Nathan (dit is een valse naam, omdat ik nog steeds bang voor hem ben). De blik in zijn ogen was ook pure evil. Hij was niet eng op een lompe manier; Nathan was een klein mannetje en sloeg zelden iemand. Nee, Nathan had het berekenende voorkomen van iemand die op een uiterst rationele manier plannen smeedde om anderen ongeluk te bezorgen. Juist zijn rust en zwijgzaamheid maakten dat er een enorme dreiging van hem uitging.

Op een middag besloot ik om samen met mijn broertje het voetbalveldje naast ons huis van echte doelpalen te voorzien, in plaats van de eeuwige hoopjes jassen. In de garage zaagden we aan vier planken een punt en togen hiermee trots naar onze grasmat. Het resultaat mocht er zijn, eindelijk zouden onze discussies over ‘binnenkant paal’ opgelost zijn en konden we ons nog meer als onze helden van televisie voelen. We waren net aan onze eerste wedstrijd bezig, toen plotseling Nathan met een golfkarretje de hoek om kwam rijden. Ik weet niet hoe een elfjarig jongetje aan een golfkarretje kwam, maar zo was het. Hij zei niets, keek ons niet eens aan, maar reed heel zakelijk tegen de eerste paal, die met een tragikomische traagheid naar de grond ging. Zo reed hij het hele veldje rond, kalm ons plezier kapotmakend. Mijn broertje en ik stonden aan de grond genageld. Nathan reed weg, waarschijnlijk om op zijn kamertje hamsters te martelen.

Kevin keek zijn moeder in de ogen, Nathan keek mij in de ogen. Beiden voelden we een onverklaarbare rilling, een bepaalde machteloosheid. Twee jaar geleden ontmoette ik tijdens een journalistenreis in Israël de toen 82-jarige Gabriel Bach, één van de aanklagers tijdens het Eichmann-proces uit 1961. Hij vertelde over zijn eerste ontmoeting met ‘de architect van de Jodenmoord’. Ook hij werd bang van de vreemde rust in de ogen en de serene beleefdheid van zijn opponent.

In twee beroemde boeken over dit proces wordt een verklaring gezocht voor dit gevoel. In De Zaak 40/61 van Harry Mulisch en Eichmann in Jeruzalem van Hanna Arendt voelen beide auteurs zich ongemakkelijk als toeschouwers bij de historische rechtszaak. De Israëlische aanklagers probeerden van Adolf Eichmann een monster te maken, maar Mulisch zag slechts „een wat groezelige, verkouden man met een bril op”. Eichmann was niet kwaadaardig zoals we dat gewend zijn, het was een koele bureaucraat die bevelen opvolgde – tot in het extreme.

De conclusie van Mulisch en Arendt is dan ook dat het kwaad niet te vangen is, doordat het zo gewoon kan zijn. Arendt spreekt van ‘de banaliteit van het kwaad’: „Het verontrustende aan Eichmann was juist dat hij een uit velen was en dat deze velen geen geperverteerden en geen sadisten, maar juist angstig en beangstigend normale mensen waren – en zijn. Vanuit onze rechtsinstellingen en aan onze ethische maatstaven gemeten was deze ‘normaalheid’ veel schrikwekkender dan alle gruwelen tezamen […].”

De aanklagers probeerden Eichmann beheersbaar te maken door hem af te schilderen als de duivel, maar zijn zaak toont juist aan dat het kwaad zich overal kan manifesteren en dus van een banale onvoorspelbaarheid is.

Het christendom verdeelde de wereld in Goed en Kwaad. De pure kwaadaardigheid van Kevin en Nathan past mooi binnen dit idee. Maar de christenen geloven ook dat deze kracht door het Goede (de liefde van God) verdreven kan worden. In de twintigste eeuw nam de macht van deze religie af en nuanceerde dit zwart-wit beeld, maar het idee van beheersbaarheid van het kwaad bleef overeind.

De nieuwrechtse politiek heeft nu goed begrepen dat er voor sommige vormen van kwaad geen verklaring te vinden is, of dat nu in de psyche of de duivelse zonde is. Er bestaat geen sluitende definitie. De koele gewelddadigheid van Kevin en de rationele genocide van Eichmann zijn daardoor nauwelijks te signaleren, laat staan tegen te houden. Maar in plaats van zich hierbij neer te leggen, verharden ze de strijd tegen een ongrijpbare vijand. Dat is zinloos en gevaarlijk. Natuurlijk, we zijn bang voor wat we niet begrijpen. Maar je kunt je aandacht beter richten op zaken waar je wel invloed op kunt uitoefenen.

Het kwaad zal zich nooit helemaal laten vangen, juist vanwege zijn onvoorspelbaarheid. Aan het einde van We Need To Talk About Kevin ben je er als kijker net volledig van overtuigd dat de jongen door en door slecht is en het verdient om in de gevangenis te rotten, als hij tijdens het bezoekuur in de gevangenis plotseling zijn moeder in de armen valt.

Dat had ik niet zien aankomen.