Somberen heeft helemaal geen zin

Filminstituut Eye staat aan de vooravond van de verhuizing naar een nieuw gebouw in Amsterdam-Noord. De ambities zijn groot, evenals de zorgen. „Nova Zembla kan best bij ons draaien.”

‘Dvd sale’, staat op de ramen van het EYE Film Instituut. Alles moet weg nu het inpakken van de dozen begint. Op zondag 8 januari sloot het museum in het Amsterdamse Vondelpark de deuren met een laatste voorstelling in de twee oude bioscoopzalen. Als afscheid hadden de vaste bezoekers hun favoriete klassieker gekozen: de stille film Sunrise van F.W. Murnau. Nu verruilt EYE, voorheen het Filmmuseum, de smalle gangen en benauwde kantoortjes van het negentiende-eeuwse parkpaviljoen voor de noordoever van het IJ, waar een witte UFO is geland naast de oude Shell-toren. Het nieuwe EYE-gebouw, dat in april opent, fonkelt van ambitie. Het bezoekersaantal moet van 80.000 nu naar 225.000. Best lastig, erkent directeur Sandra den Hamer, maar ze is vol goede moed: „We kunnen daarover met z’n allen pessimistisch doen, maar daarmee krijg je geen museum vol.”

Zag het publiek het Filmmuseum in het Vondelpark vaak als veredeld filmtheater, het nieuwe instituut in Noord is nadrukkelijk ook een museum. Den Hamer: „Het is geen make-over van het oude gebouw. We moeten onszelf in zekere zin opnieuw uitvinden; wie je bent, wat je doet. In het oude gebouw hadden we een tijdje een piepkleine tentoonstellingsruimte, nu hebben we 1.200 vierkante meter, de grootste aaneengesloten expositieruimte van Amsterdam. Die openen we in april met een expositie over Found Footage: nieuwe kunstwerken die zijn gemaakt op basis van oud filmmateriaal uit ons archief. Maar je kunt er ook reizende exposities verwachten, die afkomstig zijn uit het buitenland, over Stanley Kubrick bijvoorbeeld.”

In maart begint een publiekscampagne om het ‘merk’ EYE onder de aandacht te brengen. Geen overbodige luxe, want vorig jaar ontdekte merkonderzoeker Hendrik Beerda dat niemand de naam nog kent. Tegelijk moet het EYE een nieuw bioscooppubliek aanboren. De vaste bezoekers uit Amsterdam-Zuid, op stand en leeftijd, zullen vermoedelijk niet snel de tocht over het IJ maken. Het nieuwe achterland wordt Amsterdam-Noord, met veel jonge gezinnen en publiek dat zich misschien beter thuis voelt in een multiplex van Pathé. Den Hamer: „We worden de enige bioscoop in Amsterdam-Noord en hopen ook overdag veel bezoekers te trekken. We gaan diverser programmeren om een breder publiek te trekken.” Dus ook The King’s Speech? Den Hamer: „Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen dat we Nova Zembla draaien, maar dan in een programma over de geschiedenis van 3D-film. We zullen heel erg aansluiten bij de actualiteit, maar wel altijd in een context. Het huis van de film is voor heel Nederland, niet elitair. Ergens tussen kunst en entertainment, net als film zelf.”

De expansie van het EYE stamt uit de tijd dat er geen vuiltje aan de lucht was, de economische crisis heeft roet in het eten gegooid. De ontwikkeling van Overhoeks, het gebied in Noord waar het nieuwe gebouw staat, is ernstig vertraagd omdat grootinvesteerder ING Real Estate er de handen vanaf trok. Geplande luxe woontorens met uitzicht op het IJ komen er voorlopig niet en het nieuwe Collectiegebouw, waarin EYE de deelcollecties – die nu zijn opgeslagen in landbouwschuren en oude bunkers – wilde samenvoegen, bestaat vooralsnog alleen op bouwtekeningen. Noodgedwongen verhuist de bibliotheek tijdelijk naar een gebouw in Overamstel, waar ook de restauratoren werken.

Toch zijn er lichtpuntjes. Het gebied rond het nieuwe EYE komt langzaam tot leven. Op Overhoeks opent popcentrum Paradiso in maart een dependance, de nabijgelegen ‘culturele vrijplaats’ Tolhuistuin timmert ook aan de weg en in het oude Shell-laboratorium naast EYE komt een culturele broedplaats. Maar is dat genoeg reden voor Amsterdammers om de pont naar Noord te nemen? Het IJ, en het Centraal Station, blijven barrières, zelfs als er bij het station een winkelboulevard komt. „De pont nemen lijkt veel gedoe, zeker als het regent”, erkent Den Hamer. „Maar uit onderzoek blijkt dat het nadeel ook een psychologisch voordeel heeft: het zorgt voor een moment van onthaasting. En voor je het weet, ben je aan de overkant.”

Het gebouw zelf is zeker een trekker. Den Hamer kijkt in het Vondelpark al drie jaar uit op een montagefoto van het complex en beschrijft het met enthousiasme. De vier bioscoopzalen, elk met eigen sfeer, van een ‘black box’ voor experimentele films tot warme art deco voor klassieke films. „Er komt een restaurant met terras aan het water, dat kan een trekker worden, zoals aan de overkant van het IJ bij het Muziekgebouw. Er komt het gratis toegankelijke ‘Basement’: onze digitale schatkamer in de kelder waar je de filmgeschiedenis binnenwandelt. Bezoekers kunnen via consoles beelden uit onze enorme collectie op muren toveren, door speakers in het plafond krijgen ze een geluidsdouche.”

Het nieuwe EYE verkeert wel in een lastige spagaat, geeft Den Hamer toe. Het moet zichzelf heruitvinden, het nieuwe instituut op de kaart zetten en tegelijkertijd bezuinigen. Het kabinet heeft EYE niet geheel ontzien tijdens het snoeien in de kunstensector. Net als andere culturele instellingen kreeg het een korting van 5 procent, en trok het ministerie van OCW 800.000 euro af van de toegezegde tegemoetkoming van 2 miljoen per jaar voor de fors gestegen exploitatiekosten. Om deze tegenvaller op te vangen, richtte EYE met dank aan de Geefwet het U&EYE Fonds op.

Particuliere investeerders kunnen naar keuze 4.000, 5.000 of 10.000 euro lenen die na vijf jaar wordt omgezet in een schenking. Naast een aftrekpost krijgt de investeerder een chipkaart met een geldbedrag waarmee de investeerder kaartjes kan kopen voor filmvertoningen, filmzalen kan huren en drankjes in het restaurant kan afrekenen.

EYE zoekt ook naar andere nieuwe bronnen van inkomsten. Den Hamer: „Het pand waar de bibliotheek in zit is ons eigendom, dat zijn we nu aan het verkopen, wat niet meevalt in deze tijden. We hopen er ongeveer 4 miljoen euro voor te krijgen. De commerciële activiteiten – horeca, winkel, zaalverhuur aan derden voor bijvoorbeeld feesten en partijtjes – worden straks ook een belangrijke bron van inkomsten. We hebben ook een reserve opgebouwd door een aantal dingen niet te doen. Een paar jaar geleden wilden wij een bijzonder hoogleraar benoemen, dat hebben we opgeschort. We hebben inmiddels een behoorlijk fonds voor de eenmalige investeringen die we jaarlijks aan de exploitatie kunnen toevoegen. Maar ik kan niet ontkennen dat er nog heel wat moet gebeuren.”