Schilp en Bijvanck dachten in 'werelden', ofwel de hutspotapproach

Dat de doodgeboorte van het Nationaal Historisch Museum werd veroorzaakt door het probleem waarvoor het juist een oplossing had moeten zijn, is een verleidelijke gedachte. O ironie: Nederland is verdeeld, een museum moet eenheid brengen, maar het mislukt, want Nederland is verdeeld.

Zo ongeveer luidt Bas Heijnes analyse van het debacle in zijn stuk hierover in de krant van 3 januari jl. Toch is dat te mooi. Heijne mist iets. Wat deze onderneming werkelijk fataal werd, is modern, professioneel narcisme.

Die ‘dieperliggende’ onenigheid over geschiedschrijving en nationale identiteit, het is een rookgordijn. De hele canondiscussie, bijvoorbeeld, was die niet al in 2007 beslecht, toen een loodzware nationale commissie afstand nam van het politiek correcte relativisme – lees canonangst – en met aplomb de ‘Canon van Nederland’ presenteerde? En die stammenstrijd in de museologie, de traditionelen van de ‘statische lineaire uitstalling’ versus de postmodernen van de ‘interactieve ervaringsomgeving’ (of iets dergelijks) – allemachtig interessant, maar was het ook relevant?

Welnee, het is echt zo’n debat waar één generatie later al schouderophalend op wordt teruggekeken, als koudvuur, aangeblazen door de trendy aspiraties van twee museumdirecteuren, een architect met een ego op schaal en een eerzuchtig politicus, in de greep van de waan van de dag.

Dat is wat dit trieste verhaal vooral illustreert: hun onwil om te beseffen dat zij iets aan het maken waren wat over honderd jaar nog zal bestaan, waar miljoenen Nederlanders iets van hun vaderlandse geschiedenis gaan opsteken, herinneringen gaan opdoen die ze de rest van hun leven meedragen. En dat het voorrecht om een dergelijk instituut te mogen stichten ook een verplichting met zich meebrengt: om te denken in decennia, of zelfs eeuwen, en je persoonlijke voorkeuren daarbij zonodig opzij te zetten. Dat je een dienaar van de publieke zaak bent, een nederig woord dat vast geen prominente plaats inneemt in het vocabulaire van deze hoogvliegers.

‘Wíj kunnen dat malle Openluchtmuseum wel ontzettend 1958 vinden’, hadden de beoogde directeuren Schilp en Bijvanck moeten denken, ‘maar over een jaar of tien, twintig zijn wij hier weer weg, en dat Openluchtmuseum blijft natuurlijk ook niet altijd zoals het is. En aangezien deze hele operatie politiek nogal gevoelig ligt, kunnen wij ons misschien beter een beetje pragmatisch opstellen, anders gaat het straks helemáál niet door’.

In plaats daarvan noemde Schilp het oorspronkelijke idee van Maxime Verhagen en Jan Marijnissen doodleuk een „neonationalistisch gedrocht”. (Als directeur meende hij dat niet, legde hij later heel postmodern uit, maar als ‘columnist’ dan weer wel.)

‘Dit museum moet honderd jaar mee kunnen’, had Francine Houben moeten denken, ‘dus laat ik een tijdloos, universeel museumgebouw ontwerpen, waar je meerdere kanten mee op kunt’. Maar zij kwam met haar ‘canontoren’, de chronologische opzet van de expositie bij voorbaat vastleggend. Iets wat de Gilbert & George van de lage landen (Schilp en Bijvanck) natuurlijk niet konden accepteren, want die dachten in ‘werelden’, door anderen aangeduid als de „hutspot”-benadering en „hipdoenerij”.

De minister, Ronald Plasterk, ten slotte, had moeten denken: ‘Zo’n lint doorknippen is kicken natuurlijk, maar zo’n complex project er in drie jaar doorheen jassen is absurd, zeker voor iemand zonder enige ervaring op dit gebied, zoals ik, dus laat ik het vooral prudent aanpakken. En dan maar hopen dat ik te zijner tijd de credits krijg als de man die ooit de eerste handtekening zette.’ Maar nee, Schilp en Bijvanck beloofden hem zijn lint, en Plasterk bekeerde zich tot het hutspotisme.

In die zin ging het project wél ten onder aan wat het had moeten repareren: niet een gebrek aan nationale trots of identiteit, maar aan historisch besef. Of beter misschien: historisch ontzag. Mensen die miskennen dat zij slechts op de schouders van anderen staan, kunnen geen monument voor de geschiedenis bouwen, die bouwen een monument voor zichzelf. En hoe dit museum er dan ook uit had moeten zien, dáár had niemand om gevraagd.