Ruïnes

De overblijfselen van Kasteel Bleijenbeek in Afferden staan op instorten. Hele muren steunen nog op iele boogconstructies. Scheuren worden wijder. Het gaat Erik Jurgens aan het hart. „Als je zelf stilaan een ruïne wordt, krijg je een grotere band met een object als dit”, lacht hij.

De 76-jarige telg uit een Unilever-familie leeft in twee werelden: die van het drukke Amsterdam en die van het verstilde landgoed Bleijenbeek in Noord-Limburg, gelegen op de slechts enkele kilometers brede strook land tussen de Maas en de Duitse grens. Hij heeft er al veertig jaar een huis.

Het landgoed is al een aantal jaren eigendom van verzekeraar ASR. Dat droeg de ruïne voor het symbolische bedrag van één euro over aan een in 2009 opgerichte stichting die de broodnodige restauratie moet realiseren. Jurgens, oud-politicus (achtereenvolgens KVP, PPR en PvdA), oud-voorzitter van de NOS en emeritus hoogleraar staats- en bestuursrecht, is voorzitter. Als de klus geklaard is, worden de restanten van het kasteel waarschijnlijk overgedragen aan het Limburgs Landschap.

Als peuter logeerde Erik Jurgens zelf nog in Kasteel Bleijenbeek, een zeventiende-eeuws huis met een geschiedenis die teruggaat tot de veertiende eeuw. Het was vlak voor de oorlog. De herinneringen zijn vervlogen. Grootvader Rudolf Jurgens had het buiten kort daarvoor gekocht, omdat er volop mogelijkheden voor bosbouw rondom het kasteel waren.

Tijdens de bezettingsjaren verbleef de familie in Engeland. In februari 1945 was het einde van de oorlog aanstaande. De Schotse 52ste Lowland Division trok vanuit Nijmegen zuidwaarts over de oostoever van de Maas. Het doel was om van daaruit een doorbraak te forceren richting Duitsland. Ter hoogte van Afferden stootten de bevrijders op forse tegenstand van Fallschirmjäger. Nadat drie tanks in vlammen waren opgegaan, vroegen de Schotten om luchtsteun. De RAF gaf de Duitsers, die zich onder meer hadden verschanst in Kasteel Bleijenbeek, de volle laag. Zes eeuwen geschiedenis werd in een oogwenk verwoest. Wat achterbleef was niet meer dan een ruïne.

Opa Jurgens reageerde betrekkelijk laconiek. Hij zou gezegd hebben: „Ik heb ook eens een kasteel gehad”, herinnert kleinzoon Erik zich. „Wederopbouw had geen prioriteit. Het geld van de oorlogsschadevergoedingen ging naar het herstel van de pachtboerderijen. Die hadden economisch nut. Uit de resten van het kasteel haalden omwonenden bruikbare materialen.”

In de jaren zeventig meldde de Duitse oorlogsgravenstichting zich in Afferden. De lichamen van twee militairen waren nooit gevonden. „Het vermoeden bestond dat ze wel eens in de ruïne konden liggen. Dat bleek te kloppen.”

Erik Jurgens vroeg bij het Imperial War Museum in Londen foto’s van verkenningvluchten voor en na het bombardement. Hij kreeg ze toegestuurd. Met een begeleidend briefje met de tekst ‘Sorry!’.

De ruïne staat er nog grotendeels hetzelfde bij als begin 1945. Met ijzeren balken is decennia terug wat versteviging aangebracht. Serieuzere restauratie kan nu niet veel langer meer wachten. De beperkte variant kost 1,4 miljoen euro, de uitgebreidere een miljoen meer. In het laatste geval herrijst op palen het dak van de oude ridderzaal. Daaronder een glazen box binnen de nog staande muren. Dan moet wel exploitatie via een restaurant en een bed and breakfast mogelijk zijn.

Subsidie-automatismen zijn de laatste jaren verdwenen. Als het Rijk vroeger bijdroeg aan een restauratie, volgden provincie en gemeente bijna als vanzelf. Jurgens: „Nu maken overheden allemaal hun eigen afweging. Die ruïne is het behouden waard, maar er moet ook geld blijven voor de crèche.” Jurgens vindt het goed dat er zo gedacht wordt, al kan het betekenen dat de renovatie van Bleijenbeek met stukjes en beetjes moet worden gerealiseerd.

„Een bijdrage van het Rijk zijn we dit jaar misgelopen”, vertelt Jurgens. „Dat was letterlijk een tombola. De provincie Limburg heeft geld toegezegd voor een noodvoorziening aan de toren. De gemeente beslist binnenkort.”

Paul van der Steen