Restauratie van erfgoed

Wat doen we met vervallen erfgoed? Restaureren, in veel gevallen, hoewel dat door de crisis steeds lastiger wordt. Zo wacht Kasteel Bleijenbeek in Afferden op subsidie van de gemeente. Toch is het pas sinds de 19de eeuw dat in onbruik geraakte gebouwen voor verval worden behoed. Daarvoor werden ze vooral als steengroeve gebruikt.

De waardering voor ruïnes als romantische objecten die het behouden waard zijn is van tamelijk recente datum. Vele eeuwen lang werden ze slechts als hinderlijk ervaren. In de Middeleeuwen werden gebouwen die in onbruik waren geraakt, gesloopt om plaats te maken voor nieuwe. Als ze bleven staan en vervielen tot ruïnes, dan kwam dat doordat het te veel moeite was om ze af te breken.

In Rome, de Europese stad met verreweg de meeste in onbruik geraakte gebouwen, werden de architectonische restanten van het Romeinse Rijk na de leegloop van de stad eerst vooral gebruikt als steengroeven. De marmeren gevelbekleding van het Colosseum werd bijvoorbeeld hergebruikt in de kerken die pausen en andere hoogwaardigheidbekleders van de Rooms-Katholieke Kerk in de stad lieten bouwen.

Pas met de Renaissance werden de antieke resten studie-objecten. Zo daalde de schilder Rafael af in het Domus Aurea van keizer Nero (waarop later de Thermen van Trajanus waren gebouwd) om er de wandschilderingen (‘grotesken’) te zien. Maar de toegenomen waardering voor de Romeinse ruïnes leidde nog niet tot het behoud ervan. Ook in de Renaissance ging de ontmanteling van de Romeinse gebouwen verder. In de 17de eeuw werd zelfs het Pantheon, de ronde Romeinse tempel die altijd in gebruik was gebleven, ontdaan van zijn bronzen dakbedekking. Het brons werd hergebruikt voor Bernini’s baldakijn in de Sint-Pieterskerk.

Pas in de 18de eeuw werd, met de opkomst van het neoclassicisme, de waardering voor Romeinse ruïnes zo groot dat ze niet meer dienden als steengroeven. Probleem werd nu het toerisme. Vooral de Engelse elite, die een Grand Tour naar Rome en andere Italiaanse steden als vast onderdeel van een goede opvoeding beschouwde, kocht veel brokstukken van Romeinse gebouwen.

De waardering voor de Romeinse ruïnes leidde wel tot een andere houding tegenover ruïnes in het algemeen. Niet langer werden die louter gezien als hinderpalen voor nieuwbouw, maar ook als objecten waarbij het goed mijmeren was over de vergankelijkheid van beschavingen en de mens. Ruïnes werden zelfs zo populair dat Engelse landschapstuinen, die zich vanuit Engeland over heel Europa verspreidden, vaak nepruïnes kregen, bij voorkeur met een kluizenaar die er in elk geval overdag verbleef.

Ook schilderijen van beroemde gebouwen als het Louvre in Parijs en de Bank of England in Londen in ruïneuze staat raakten in de mode. Dit zou in de twintigste eeuw ten slotte leiden tot de Ruinenwerttheorie van Hitlers hofarchitect Albert Speer: een gebouw moest zo zijn ontworpen dat het ook als ruïne mooi zou zijn.

In de 19de eeuw werd het een gewoonte om ruïnes voor verder verval te behoeden of te verbeteren en zelfs te restaureren. Restauratie bestond meestal niet uit het terugbrengen van een ruïne in oorspronkelijke, maar in ideale staat. In Frankrijk ‘restaureerde’ de neogoticus Eugène Viollet-le-Duc vele vervallen gotische kerken, kastelen en zelfs hele stadjes tot iets dat ze idealiter hadden kunnen worden als geldtekorten en andere praktische bezwaren dit niet hadden verhinderd. In Nederland werkte de katholieke architect Pierre Cuypers volgens dit beginsel. Hij maakte bijvoorbeeld van de ruïnes van De Haar in Haarzuilens een geïdealiseerd middeleeuws kasteel.

In de 20ste eeuw maakte de geïdealiseerde restauratie steeds vaker plaats voor ‘authentieke’ restauratie. Als ruïnes werden gerestaureerd, werd hun oorspronkelijke staat vaak het uitgangspunt. Probleem hierbij is dat het niet alleen vaak moeilijk is om precies te bepalen hoe een gebouw oorspronkelijk was, maar ook dat veel gebouwen begonnen als nietig bouwwerk, vervolgens uitgroeiden tot iets omvangrijks en ten slotte in verval raakten. De vraag waarom een middeleeuws begin ‘authentieker’ is dan een 18de-eeuwse of zelfs 20ste-eeuwse toevoeging laat zich eigenlijk niet beantwoorden.

Bernard Hulsman