Recensie

De geslachtsdelen afgehakt, borst gekliefd, hart uitgerukt

Tachtigjarige Oorlog

Oog- en oorgetuigenissen van Hollanders en Spanjaarden laten zien dat de Tachtigjarige Oorlog een periode van incidenteel gruwelijk geweld was, zie het uitmoorden van de vesting Naarden.

Gravure van de mislukte aanslag op Willem van Oranje door de Bask Jean Jaureguy, op 18 maart 1582 in Antwerpen. Illustratie Hollandse Hoogte

De Tachtigjarige Oorlog jubileert: vierhonderdvijftig jaar geleden geboren. We kunnen dit vieren als kiemcel van onze huidige natie, jubelen is ongepast. De bloemlezing Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog door Luc Panhuysen en René van Stipriaan bewijst het. Het ging er verschrikkelijk aan toe. De Beeldenstorm (1566) raast door de rijk versierde kerken: ‘Grote smidshamers en bijlen waren ruim voorhanden, brandladders werden opgericht waarmee ze hogerop konden komen.’ De Spaanse Furie (1576): ‘Ik zal geen opsomming geven van het oneindige aantal arme mensen die geheel verkoold lagen. Sommigen rustten op hun middel: eronder was alles verbrand.’ Het belegerde Leiden vóór de komst van haring en wittebrood (1574). Menu: gebraden honden en katten, fijngesneden gras met zout en paardenvet. ‘Sommige vrouwen waren zo uitgehongerd dat de vrucht in hun schoot min of meer verteerd was.’ Naarden uitgemoord (1572): ‘De Spanjaarden sloegen de halfdoden en zij die zuchtend naar de laatste adem hijgden met kleine bijlen dood, en ze stapelden lichaam op lichaam.’

De samenstellers verzamelden getuigenissen van uiteenlopende gebeurtenissen die direct of indirect met de Tachtigjarige Oorlog te maken hebben. We hoeven niet iedereen op zijn woord te geloven. Veel verslagen zijn achteraf genoteerd, en het geheugen is bedrieglijk. Zo lezen we als de Oranjeprins in 1582 voor de eerste keer wordt beschoten en de kogel door zijn gehemelte gaat en via de linkerkaak weer naar buiten komt: ‘De prins wist aanvankelijk niet wat er aan de hand was en meende dat er elders in huis iets kapotging.’ Werkelijk?

Bij de succesvolle aanslagpleger Balthasar Gerards worden in 1584 geslachtsdelen afgehakt, borst gekliefd, hart uitgerukt: ‘Op dat moment zag men hem de geest geven’. Niettemin weet de dode, als zijn gebonden armen hierop worden losgemaakt, ‘met zijn verbrande hand naar de toegestroomde menigte twee of drie keer het kruisteken te maken’. Niet de eerste de beste moordenaar, die Balthasar.

‘De kohohohoning van Hispanje’

Het gaat hier om de grote Oranje, de eerste Willem die – zo suggereren de samenstellers – min of meer zijns ondanks de oorlog is ingerommeld. Ze beginnen hun bloemlezing niet voor niets met een scène waarin hij ‘De kohohohoning van Hispanje’ ruimhartig eert.

Dat brengt ons bij de kleine man, die in Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog even ruimhartig aandacht krijgt. Een soldaat zit tijdens het beleg van Haarlem in 1573 nabij de Schapenkaastoren en zingt een populair liedje dat ‘Wilhelmus’ heet. Als hij bij het ‘kohohohoning van Hispanje’ is aangeland wordt hem een been afgeschoten. Dood.

Het kan ook gelukkiger aflopen. Zo wordt een Alkmaarse in Ooggetuigen getroffen door een Spaanse kanonskogel. Ze wordt tot en met haar billen van haar kleding gestript, maar kan later in opperste gezondheid, geheel ongeschonden ‘Bij ons begint de victorie!’ uitroepen.

We hangen ons beeld van oorlog vaak op aan de totale oorlog van 1940-1945: één vijand, gründlich organisierte bezetting, terreur tot in het gaatje. Voor eerdere oorlogen gaat dat beeld niet op, alleen al vanwege de logistiek. Minder bedreigend is het echter niet, en gruwelen vinden even uitbundig plaats.

Waar de ‘moderne oorlog’ rafelranden heeft, op georganiseerde incidenten na, zoals stedendwinger Frederik Hendriks ‘meesterstuk’ bij zijn beleg in 1629 van ‘Spaans’ Den Bosch, is de Tachtigjarige Oorlog één grote rafelrand. Niet iedereen wordt dagelijks bedreigd, maar niemand is veilig. Je kunt dus gewoon pech hebben. Zo bevond het Brabantse dorp Oisterwijk zich in zo’n zone. Zo schrijft de plaatselijke klerk Lambrecht van den Heuvel daar in 1595 over dat het begrip ‘plundering’ er bij verbleekt. Het is een van de vele kleurrijke getuigenissen in dit rijke, maar vooral speels en briljant samengestelde boek.

Haarlem hongert

Die kleur en speelsheid ontbreken in Barbara Kooijs Spaanse ooggetuigen over het beleg van Haarlem (1572-1573). Onmisbaar is deze bundel wel: eindelijk kunnen we de heldhaftige daden van Kenau Simons-Hasselaar door Spaanse ogen bekijken. Dat wil zeggen: de belegeraars hebben het in geen enkele van de in deze collectie opgenomen 138 belegeraarsbrieven over haar. Maar het is een feit dat het verzet hardnekkig is. De Spanjaarden kijken er bitter van op – ze gingen Haarlem toch even oprollen?

Het wintert gruwelijk als ze voor de dichte poorten staan, wat het ijs tot een onbetrouwbare bondgenoot maakt. Interessant zijn de getuigenissen van het Hollandse landschap tegen het laatste kwart van de zestiende eeuw. Smalle dijkwegen die een snelle aanvoer van hulptroepen en zware kanonnen ernstig bemoeilijken, al die meren rondom Amsterdam en Haarlem, het open IJ dat bijna tot de Noordzeeduinen komt, water overal. En als het eindelijk zomer wordt en de Spanjaarden eindelijk het beleg ‘waterdicht’ hebben weten te maken en Haarlem hongert, steekt er nog een zomerstorm op waar men bleek van wordt.

De honger wint het, Haarlem valt. Aan Spaanse zijde vallen veel doden te betreuren, al moet de lezer wel nauwkeurig tellen. Een nadeel is namelijk dat Kooij een aantal ijselijke, schadelijke of dodelijke gebeurtenissen uit verschillende getuigenissen citeert. Eén gesneuveld oog komt vijfmaal voorbij, een glibbertochtje over een smal pad met een boer als gids twee of drie keer, voor één afgeschoten Spaans bediendenbeen geldt hetzelfde.

Alleen al vanwege één verzuchting had ik Spaanse ooggetuigen niet willen missen. Het is Alva zelf, in een brief aan koning Philips II, geschreven op zijn ziekbed (jicht) te Nijmegen, die verzucht: ‘Het zou mij door de ziel snijden als Haarlem met geweld moest worden ingenomen, maar dit zijn helaas dingen die een mens niet in de hand heeft.’ Mooi.

    • Atte Jongstra