Internationale kaart van Assad

De mini-missie van de Arabische Liga in Syrië is aan het mislukken. Onder de ogen van de circa 160 waarnemers gaat het regime van Assad gewoon door met zijn moordend geweld. Sterker nog, het aantal dodelijke slachtoffers is toegenomen sinds de missie in Syrië arriveerde.

En dat lijkt opzet. Het bewind in Damascus wil dat de missie op een fiasco uitdraait. Assad keerde zich gisteren in een televisietoespraak zonder omhaal tegen de Arabische buitenwereld. Dat was een paar dagen nadat de Liga had besloten om de missie uit te breiden met extra waarnemers en materieel. De Arabieren zijn volgens hem het „meest vijandig en agressief” in het internationale „complot” dat de Liga tegen Syrië op touw heeft gezet. Omdat de missie – geleid door een Soedanese generaal die ooit in Darfur heeft huisgehouden – ook door de oppositie wordt gewantrouwd, lijkt de kans op bemiddeling verkeken.

Of die zou uit Moskou moeten komen. De afgelopen dagen lagen enkele Russische oorlogsschepen, waaronder het vliegdekschip Admiraal Koeznetsov, in de Syrische havenstad Tartus. Het doel was bevoorrading. Maar het politieke signaal was belangrijker. Zonder Rusland is elke interventie door de Veiligheidsraad ondenkbaar. Het scenario dat in Libië is gebruikt, is niet voor herhaling vatbaar.

De (burger)oorlog in Syrië wordt zo steeds geopolitieker en daarmee ook gecompliceerder. Na tien maanden gaat het niet meer alleen om binnenlands verzet tegen een gewelddadig bewind. Het regime van Assad is gebaseerd op een alawitische minderheid in een overwegend soennitisch land. Het raakt zo steeds nauwer verbonden met de shi’itische as die sinds de Irak-oorlog stap voor stap wordt gebouwd van Teheran naar Bagdad, met uitlopers naar Damascus en Beiroet. Dit ontluikende shi’itische machtsblok leidt tot andere machtsverhoudingen in het Midden-Oosten. Dat stemt de merendeels soennitische Arabische Liga bezorgd. Zozeer zelfs, dat Qatar nu huurlingen aan het werven is om de Syrische oppositie bij te staan.

En niet alleen de Arabische wereld. Ook de Turkse regering kijkt met argusogen naar de interne strijd in buurland Syrië. Turkije werpt zich steeds meer en ook steeds succesvoller op als een nieuwe, niet-Arabische machtsfactor in het Midden-Oosten. Premier Erdogan vervult die rol met verve. Hij toont zich autonoom ten opzichte van zijn NAVO-bondgenoten, oefent druk uit en bemiddelt, al naar het de Turken uitkomt.

Als het Westen zou willen – en de autoritaire stijl van Erdogan voor de gelegenheid voor lief zou nemen – dan zou het nu via de Turkse bondgenoot een rol kunnen spelen. Dromen over een eigen interventie, zoals sommige denktanks in het Westen doen, is sowieso bedrog.