Water als erfgoed

Zucht, oeff! de strijd tegen het water is weer gestreden. Met tevredenheid heeft Nederland geconstateerd dat we nog steeds goed zijn in de no-nonsense aanpak die onze reputatie en ons zelfbeeld ooit zo lieten stralen. De Groningse nuchterheid van afgelopen week is alom geroemd. Het was bijna jammer, zo voelde je uit sommige vragen van journalisten, dat er niet wat meer drama was, wat meer vertwijfelde families met de kuiten in het water en de poes in de armen.

Alom dus tevredenheid, bij de overheidsorganen die zich voorbeeldig van hun taak hebben gekweten. De waterschappen hebben weer kunnen bewijzen dat ze echt noodzakelijk zijn en dus niet moeten worden opgeheven. Het voorstel om hun taken te laten overnemen door de provincies lijkt mij een heilloze weg. De provincies zijn zelf bestuurlijk zwak en hebben zeker niet het eeuwig leven in de bestuurlijke herverkaveling van Nederland. Daarmee verschuif je alleen maar het probleem.

Je zou de waterschappen minstens zo een grote ereplaats willen toekennen¬†op de lijst van Unesco’s immateriele erfgoed als allerlei volksliedjes en bloemencorso’s waar Nederland nu mee tracht te scoren. Waterschappen zijn niet aleen een vroege vorm van democratie, maar een vorm van betrokkenheid bij het publieke belang (nationale publieke goederen heet dat tegenwoordig). Keer op keer blijkt dat je mensen pas kunt betrekken bij de zorg voor het algemeen belang, als je het dichtbij hen houdt, op een schaal die zij herkennen. Voor water dat zo zeer deel uitmaakt van onze geschiedenis aan de kusten en in het rivierenland van tweederde van de Nederlandse bevolking woont, geldt dat bij uitstek. Het is eigenlijk raar dat partijen die zich richten op ons nationale belang dit onderwerp graag vergeten.