Uw IQ, nu nog minder erfelijk

Vijftien jaar IQ-onderzoek op een rijtje. Tal van omgevingsfactoren blijken intelligentie te vergroten.

Onderscheid maken tussen omgeving en genen is lastig.

Intelligentie is minder erfelijk dan vijftien jaar geleden werd gedacht. Als kinderen uit een lagere sociale klasse geadopteerd worden in een hogere sociale klasse, bijvoorbeeld, stijgt hun IQ met 12 tot 18 punten, ten opzichte van kinderen die in de lagere sociale klasse blijven, bij hun ouders of doordat ze binnen die klasse geadopteerd worden.

Dat schrijven zeven Amerikaanse psychologen in een overzichtsartikel over de laatste vijftien jaar intelligentieonderzoek dat vorige week online is gezet bij American Psychologist. Het levert een stroom feitjes en nieuwe inzichten op. School verbetert het IQ bijvoorbeeld ook; zo scoren kinderen hoger als ze jonger naar school gaan doordat ze bijvoorbeeld gunstig jarig zijn. Of doordat ze aan een voorschools educatieprogramma meedoen; die zijn niet allemaal goed, maar de beste verhogen de intelligentie van de deelnemende kinderen (al kan dat effect later weer verdwijnen als de kinderen geen ‘verrijkte’ lesstof meer aangeboden krijgen).

Verder zijn er aanwijzingen dat borstvoeding de intelligentie van het kind vergroot. Van ouderen is bekend dat ze hun intelligentie op peil kunnen houden door lichaamsbeweging. Vrouwen en zwarten, weten we, scoren lager op IQ-tests als ze zich zorgen maken over het idee dat vrouwen en zwarten minder intelligent zouden zijn dan mannen en blanken. IQ staat kortom sterk onder invloed van de omgeving.

Tot die omgevingsfactoren behoort ook de toenemende trend om middelen te nemen die het concentratie- en planningsvermogen en het geheugen zouden verbeteren. De onderzoekers waarschuwen dat de langetermijneffecten daarvan onbekend zijn.

Intelligentie is overigens wel degelijk voor een deel erfelijk, schrijven de onderzoekers, maar het is moeilijk te bepalen hoe groot dat deel is. Genen voor intelligentie en denkvaardigheden zijn druk bejaagd, maar dat heeft nauwelijks iets opgeleverd. Ook aan tweelingstudies, waarvan lang veel werd verwacht, kleven bijvoorbeeld problemen: zelfs als tweelingen erg gescheiden opgroeien, hebben ze een grotere kans om in meer vergelijkbare omgevingen terecht te komen dan willekeurige leeftijdgenootjes (als beiden genetisch zijn voorbestemd om lang te worden, vergroot dat bijvoorbeeld de kans dat beiden gaan basketballen). Dat maakt dat het onderscheid tussen genen en omgeving moeilijk te maken is.

De erfelijke factor leek vroeger misschien ook groter doordat vaak maar weinig kinderen uit achterstandsfamilies aan onderzoek meededen. En juist bij die kinderen speelt de omgeving een grote rol: zij hebben vaak minder gelegenheid om hun genetisch potentieel te realiseren, schrijven de psychologen.

Tot slot: mannen blijken wat beter in ruimtelijke vaardigheden en vrouwen in taal, maar er is geen reden om te adviseren jongens en meisjes apart les te geven, aldus de psychologen.