Regering in Londen wist waarschijnlijk niet van Shoah

Moet de regering excuses aanbieden omdat de regering in ballingschap tussen ’40 en ’45 geen aandacht besteedde aan Jodenvervolging? Te simplistisch, stelt Bart van der Boom.

De Nederlandse regering moet excuses aanbieden voor het gegeven dat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze in Londen zetelde, nauwelijks aandacht besteedde aan de deportatie van Nederlandse Joden en naliet om de bevolking via Radio Oranje op te roepen tot verzet ertegen. Dit eist Geert Wilders (PVV) – daarbij gesteund, in een verrassende combinatie, door Els Borst (D66) en Gerrit Zalm (VVD).

Deze eis zou terecht zijn als de motieven van de Nederlandse regering in ballingschap niet zouden hebben gedeugd. Wonderlijk genoeg lijkt evenwel niemand geïnteresseerd in deze motieven. Borst zegt niet te weten waarom koningin Wilhelmina zo weinig sprak over het onderwerp. Dit is geen sterke basis voor een veroordeling en de bijbehorende excuses. Zoals het indianenspreekwoord luidt: don’t judge a man until you have walked a mile in his moccasins.

Laat ons dus in de schoenen der Londense Nederlanders stappen. Waarom zeiden zij zo weinig over de Holocaust en riepen zij niet op tot verzet?

Hiervoor zijn vele redenen. Deze zijn te groeperen rond de thema’s antisemitisme, behoedzaamheid en scepsis.

Antisemitisme speelde een rol. Op de Londense burelen werden Joden, net als in Nederland, vaak beschouwd als anders en niet noodzakelijkerwijs sympathiek. Hoewel deze ambivalentie tegenover religieus of politiek andersdenkenden in het verzuilde Nederland niet uitzonderlijk was, hinderde ze natuurlijk het medeleven met Joden en de belangstelling voor hun lot. Hiertegenover staat dat anderen geen spoor van antisemitisme vertoonden en dat vooral bij de Nederlandse media in Londen vele Joden werkten.

Belangrijker was waarschijnlijk de angst voor antisemitisme, of, meer precies: de angst dat expliciete aandacht voor het lot van de Joden de Duitse propaganda in de kaart zou spelen. Deze stelde immers dat de oorlog niet werd gevoerd tussen Duitsers, Amerikanen en Russen, maar tussen Duitsland en het Jodendom. Dit maakte het benadrukken van Joods leed linke pr. Het doel van de geallieerde, en dus Nederlandse, propaganda was juist om te tonen dat de nazi’s de vijand waren van de vrijheid en de beschaving – iedereens vijand. Vandaar dat de Joden zelden werden genoemd. Als dat wel gebeurde, was het vaak in één adem met andere vervolgden.

Dan behoedzaamheid. Londen had moeten oproepen tot verzet tegen de Holocaust, wordt – niet voor het eerst – gezegd. Wie Onno Sinkes mooie proefschrift over Radio Oranje heeft gelezen, weet evenwel dat Londen überhaupt niet opriep tot verzet – waartegen dan ook. De regering in ballingschap achtte de gevolgen van dergelijke oproepen onoverzichtelijk en potentieel desastreus. Anders dan de collectieve herinnering wil, pleitte Wilhelmina in haar radiopraatjes niet voor verzet, maar raadde zij het af. Handel niet overhaast, was de boodschap. Wacht op ons teken. Overigens verbood Londen wel medewerking aan allerhande Duitse maatregelen, inclusief de deportatie van de Joden.

Ten slotte scepsis. Sinds Walter Laqueurs klassieker The terrible secret, uit 1980, is de communis opinio dat de geallieerden, inclusief de Londense Nederlanders, ‘het’ ‘wisten’ en dat hun gebrekkige belangstelling voor de Holocaust dus niet voortkwam uit onwetendheid. Dit is maar deels waar. In de tweede helft van 1942 werd duidelijk dat de Duitsers de Jodenvervolging opvoerden – door deportaties, opsluitingen in overbevolkte getto’s en zelfs massale executies – en dat velen op den duur zouden sterven. In december 1942 veroordeelden de geallieerden deze „politiek van systematische uitroeiing”. Deze verklaring is vaak opgevat als officiële erkenning van ‘de Holocaust’. Dit is ten onrechte. Pas in de zomer van 1944 bereikte de geallieerden gedetailleerde en betrouwbaar ogende informatie over massale vergassing. Tot het einde van de oorlog bleef twijfel bestaan of dit bizarre verhaal echt waar was. Ook deze twijfel vormt een verklaring voor de zwijgzaamheid inzake de Holocaust.

De gedachte dat de Nederlandse regering in ballingschap wist van de Holocaust, maar gewoon wegkeek, is wijdverbreid, maar onvergeeflijk simplistisch. Excuses zijn misschien op hun plaats, maar pas na serieuze overweging van de motieven van de regering in ballingschap van destijds. Bij gebrek hieraan zijn excuses dom en gratuit.

Bart van der Boom is universitair docent geschiedenis aan de Universiteit Leiden.