Pianist die de draak uit zijn instrument wilde drijven

Pianist Alexis Weissenberg oogstte tijdens zijn loopbaan zowel lof als kritiek. In WO II ontkwam hij aan het kamp toen hij Schubert speelde.

De fameuze Franse, van oorsprong Bulgaarse pianist Alexis Weissenberg, die zondag op 82-jarige leeftijd overleed in het Zwitserse Lugano, was omstreden als weinig andere beroemde collega’s.

„Sommigen vinden zijn spel weerzinwekkend, anderen zijn zichtbaar aangedaan en diep vervoerd. [...] In het ene concert krijgt hij alles voor elkaar, in drie van de vier andere mist hij bijna alles wat hij wil bereiken. Een publiek optreden lijkt een strijd op leven en dood, een daad van liefde of haat.”

Dat schreef de Amerikaanse pianist David Dubal in zijn boek The Art of the Piano (1989). Volgens Dubal, ook pianoleraar aan de Juilliard School of Music in New York waar Weissenberg in 1946 afstudeerde, had hij een fenomenale techniek. Maar dat betekende niet dat Weissenberg foutloos kon spelen. „Als hij rond 1900 zou zijn opgetreden, was hij uitgelachen om zijn granieten weergave van de Derde sonate van Chopin.”

Dubal beschreef hem als „een eigentijdse romanticus” en signaleerde een sadomasochistische trek in het spel van Weissenberg, roekeloos en gestaald. „De Eerste sonate van Rachmaninov was onder zijn handen een pandemonium, luider dan ooit iemand anders had gespeeld in de historie van de piano, onweerstaanbaar door het geloof in zijn eigen spel.”

Optredens van Weissenberg waren enerverende gebeurtenissen en in de pianist brandde een heftig vuur. „Weissenberg is daar om de draak te verslaan, die moet uit de piano worden verdreven. Zijn concerten zijn onveranderlijk uitdagingen voor hemzelf en voor het publiek. Het is niet Schumanns Carnaval, maar zíjn Carnaval. Als hij Haydn op Haydns eigen piano had gespeeld zou hij die hebben gesloopt.”

Alexis Weissenberg werd op 26 juli 1929 geboren in een joodse familie in de Bulgaarse hoofdstad Sofia. Zijn eerste pianolessen kreeg hij op zijn derde van de Bulgaarse componist Pancho Vladigerov, op zijn achtste trad hij voor het eerst op tijdens een concert.

Toen hij met zijn moeder in 1941 wilde vluchtten naar Turkije, kwam hij terecht in een concentratiekamp. Hij werd gered door een Duitse bewaker, die hem Schubert had horen spelen op een accordeon en hem op de trein zette naar Istanbul.

Weissenberg kwam terecht in Palestina, speelde bij het Israëlisch Philharmonisch Orkest Beethoven onder leiding van Leonard Bernstein en ging studeren in New York, waar hij les kreeg van onder anderen de wereldberoemde Arthur Schnabel en de klaveciniste Wanda Landowska. Zijn debuut in New York maakte hij bij het Philadelphia Orchestra onder leiding van George Szell in het berucht moeilijke Derde pianoconcert van Rachmaninov.

In de jaren 50 verhuisde hij naar Parijs, waar hij Frans staatsburger werd. Tussen 1957 en 1966 gaf hij geen concerten, maar studeerde en gaf les. Hij hervatte zijn carrière met een recital in Parijs.

Bij de Berliner Philharmoniker speelde hij het Eerste pianoconcert van Tsjaikovski. Dirigent Herbert von Karajan prees hem als „een van de beste pianisten van onze tijd”.

Weissenberg maakte tal van plaatopnamen van muziek van onder anderen Liszt, Chopin, Schumann, Brahms, Rachmaninov en Stravinsky. Hij werkte daarbij ook samen met dirigenten als Carlo Maria Giulini, Riccardo Muti, Seiji Ozawa, Leonard Bernstein en Herbert von Karajan. Hij gaf overal ter wereld masterclasses.

Alexis Weissenberg componeerde ook veel pianomuziek en een musical, La Fugue (1979), in 1992 uitgevoerd in Darmstadt onder de titel Nostalgie.