Opgesloten tussen de scheepswanden

Schrijver en kunstenaar Alma Mathijsen zeilt de Atlantische Oceaan over.

En leert dat dit een prima manier is om een moordenaar van haar te maken.

Lars uit Zweden draagt een rode broek. Deze zomer ontmoette ik hem. Hij zat op een berg in Italië rook voor zich uit te blazen, ik raakte met zijn vrienden aan de praat.

Eentje vroeg: „Do you know why he wears red pants?”

De jongen deed alsof hij ons niet hoorde, of misschien hoorde hij ons echt niet.

„Because he sailed across the Atlantic.”

In Zweden blijkt de rode broek een teken te zijn dat iedereen begrijpt, ik had daar nooit eerder van gehoord. De jongen haalde een hand door zijn haar, sloot zijn ogen om ze te openen in mijn blikveld. Ik smolt. Die avond lag ik in zijn armen.

Maar soms wil je meer.

Ik vraag iedereen die ik ken of ze zeemannen kennen die me mee de oceaan over willen nemen en uiteindelijk vind ik een zeilboot die de oversteek binnenkort gaat maken, de Eendracht, Nederlands grootste zeilschip. Drie masten, bijna zestig meter lang en gevuld met meer dan dertig blanke Hollanders.

In Las Palmas stap ik op, een plek waar ik zo snel mogelijk vandaan wil. We varen weg, nog lang zien we lichtjes. Mijn telefoon heeft nog tot laat in de nacht bereik. De gehele bemanning is man, op één na, een vormloze bulldozer die rookt als een ketter. De eerste ochtend komt ze naast me zitten, terwijl ik naar de kustlijn tuur die nog heel vaag te zien is.

„Zie je die golven? Als de zee kalm is, doe ik alsof de schuimkoppen dolfijnen zijn. Als de zee woest is, zijn het allemaal orka’s.”

Ik krijg het idee dat ze dit vaker vertelt. Ze kijkt me aan, haar ogen zijn sprankelend blauw. Alsof de zee erin gekropen is.

„Dat rokje dat je nu draagt, dat werkt niet. Daarmee kun je geen touwen trekken.”

Ze kijkt bloedserieus, alsof dit deel is van een jarenlange strijd om te overleven als vrouw binnen een mannenwereld. Rokjes dragen daar niet aan bij, blijkt. Het benauwt me.

Na een week is veel duidelijk: ik kan niet zeilen, dat staat voorop. Alhoewel ik wel plezier haal uit mijn onkunde. Meestal moet ik touwen begeleiden als de zeilen omhoog worden getrokken door anderen. Ik weet niet of het toeval was dat de enige keer dat ik in de mast mocht klimmen ik een minirokje droeg.

Uren kan ik langs de reling van het schip staan, terwijl ik kijk naar de oceaan die elke dag anders is. Het is moeilijk niet melodramatisch te worden. Overal waar ik kijk is zee, en tegelijk is die overal anders. Aan de voorzijde van het schip is ze roze, achter zilver alsof iemand een fluwelen lap over het water heeft uitgestreken, en rechts diepblauw.

Nooit eerder heb ik hemels als op de Atlantische Oceaan gezien. Ze doen me denken aan de lucht uit The Neverending Story, krachtige wolken waarachter de zon schuilgaat. Zo dramatisch dat ik bijna geloof dat er iets te gebeuren staat. Ik stel me voor dat zich daarachter een andere wereld afspeelt. Zoals ik zei, het is moeilijk niet melodramatisch te worden.

Middenin de nacht moet ik wacht houden met een aantal anderen. Dat houdt in dat je kijkt of er geen piraten opduiken, of de boot niet in de fik vliegt en tosti’s bakt voor de wachthouders. Het is wachten op iets wat nooit gaat komen. Een man met zachte ogen en lang haar staart omhoog: „Lekker sterretjes kijken.”

Een kriebel loopt over mijn rug. Ik draai mijn hoofd weg van de rijke sterrenhemel, waar elk licht vecht voor een plek en kijk naar de koers. Nog 1.400 mijl. Dat is precies de helft. Het is anderhalve week naar de oostkust en anderhalve week naar de westkust. Geen enkel schip in de wijde omgeving. Niets dan de mensen die ik al ken en de boot. Iedereen weet alles van elkaar. Echt alles. Er is weinig te doen op de boot en mensen vervelen zich snel. Het meisje komt naast me zitten. Soms kun je beter niet praten, denk ik.

„Klopt het dat alle lades in jouw hut open staan?”

Ik kijk haar ongelovig aan, maar ze ziet mijn blik niet, het is nacht. Ik geef geen antwoord. Het voelt alsof de zee, hoe groot die ook is, me in een houdgreep heeft en ik nergens heen kan. En dat is ook zo. Ik zit opgesloten met dertig mensen tussen de scheepswanden. Op een boot kun je niet alleen zijn. En elke morgen om 4 uur komt iemand me wekken. Ik vond het al vreselijk als mijn moeder me vroeger om zeven uur wekte. Nu heb ik mezelf aangeleerd om te antwoorden in mijn slaap.

Handig, maar daarom kom ik wel altijd te laat aan, met als gevolg dat ik alle wc’s aan boord moet schrobben. De schommelingen maken dat werk nog viezer is dan het al is. Soms moet ik mezelf geruststellen met teksten als deze: Als je een moordenaar van me wil maken, zet me dan op een boot middenin de Atlantische Oceaan met mensen die ik normaal al niet kan uitstaan en wek me elke morgen om 4 uur. Nadat ik die heb opgeschreven, gaat het iets beter. Ik neem me voor om heel hard weg te rennen van de boot zodra die aanmeert.

Iets aan mijn voet begint te zweren, ik kan slecht lopen en touwen trekken wordt vrijwel onmogelijk. Ik moet naar de scheepsdokter: Jan. Zijn praktijk is tegelijkertijd zijn hut. Zijn bed draait hij in een handbeweging om en die vormt de patiëntenbank. Op zijn werktafel ligt een aantal boeken waaronder de Titaantjes.

„Heb je Nescio gelezen?” vraagt hij.

Ik kijk op.

„Niet antwoorden. Als het niet zo is, zou ik weigeren je te behandelen.”

Een dokter naar mijn hart. Met een paar speldenprikken haalt hij de bovenste laag eelt weg om de pus uit mijn voet te kunnen drukken. Ergens hoopte ik dat de verwondingen erger zouden zijn, om stoer te kunnen doen. Of nog liever had ik scheurbuik gehad.

Weer terug boven met een ingelapte voet zie ik iets in het water wat me direct opbeurt. Aan het oppervlak drijven grote stukken zeewier, losgeweekt van de bodem ergens in de buurt van land. Land. Er is bewijs dat het nog bestaat. Het is vreemd om op een plek te zijn waar je niet vanaf kunt, waar het enige wat je kunt doen is tegen jezelf zeggen dat je rustig moet blijven en waar de tijd vanzelf verstrijkt.

En dat blijkt waar.

Na zeventien dagen is er land in zicht. In de verte liggen de contouren van Anquilla. Tot mijn verbazing begin ik niet als een idioot op en neer te springen. Nee, pas als een veerpont ons op twintig meter afstand kruist, word ik gek. Ik ren naar het voordek en begin te zwaaien. Ik heb geen controle over mijn arm. Andere mensen. Nooit eerder heb ik het concept van zwaaien begrepen. Nu is het mijn enige mogelijkheid tot communicatie, mijn stem zou nooit boven de omslaande golven uitkomen, daarom zwaai ik. Zodra we aan land zijn, koop ik een rode broek.

Alma Mathijsen is schrijver en beeldend kunstenaar. Vorig jaar verscheen haar debuutroman ‘Alles is Carmen’.