Lang leven laat ons lauw

Markies de Condorcet wist het zeker: de vervolmaking van de mens gaat hand in hand met een steeds langere levensduur. Deze wiskundige en filosoof schreef aan het einde van de achttiende eeuw een onbekommerde lofzang op de vooruitgang: „Het moment zal dus komen dat de zon op aarde alleen nog maar schijnt op vrije mensen die geen andere meester erkennen dan hun rede.” En daar hoorde ook een onbegrensde toename bij van de gezondheid.

Hij zou niet vreemd hebben opgekeken van de aankondiging dat de levensverwachting in Nederland tussen 2000 en 2010 nog sneller is gestegen dan in de decennia daarvoor. De verwachting voor mannen ging vooruit met 3,2 jaar naar 78,8 en voor vrouwen met 2,2 naar 82,7. Dat is een grote sprong in tien jaar tijd.

Waar Condorcet zich wel over zou hebben verwonderd is de lauwe reactie op die spectaculaire ontwikkeling. Je zou denken dat een verhevigde groei van de levensverwachting grote krantenkoppen en enthousiaste uitwijdingen in de troonrede of het regeerakkoord zou opleveren. Toch was het geen groot nieuws.

Het zal wel komen door het stijgen van mijn eigen levensjaren, maar die betrekkelijke stilte is toch merkwaardig. Want wat vat de vooruitgang beter samen dan de verdubbeling van de levensverwachting in anderhalve eeuw: van gemiddeld minder dan veertig jaar naar meer dan tachtig jaar? Dat is een triomf van de maakbare samenleving: aan ons langere leven is niets natuurlijks. Die verlenging vloeit voort uit een collectieve inspanning op het gebied van wetenschap, gezondheidszorg, arbeidsomstandigheden, onderwijs, voedselkwaliteit, openbare werken, en nog zo wat.

Lees het prachtige Koninkrijk vol sloppen van Auke van der Woud, die beschrijvingen aanhaalt van achterbuurten rond 1900, zoals de Jordaan door Israel Querido: „Eén geweldige menschenklis van duizenden en duizenden gezinnen bijééngeperst, boven, achter, voor, tegenover elkaar, omwemeld van kinderen en weer kinderen. (…) In beestelijke onverschilligheid leefden ze hun instincten rauw en hittig uit, ongedekt voor eenieder die hen waar wou nemen.” Toen werd er veel en jong gestorven.

Het zegt alles over de teloorgang van het vooruitgangsgeloof dat onze grootste verworvenheid inmiddels wordt gezien als onze grootste zorg. In het gesprek over de uitdijende ouderdom overheerst een sombere toon: wat is eigenlijk de meerwaarde van een leven dat steeds verder wordt opgerekt door medische mogelijkheden? Misschien naderen we het punt waarop de uitgestelde dood vooral als een last wordt ervaren. In ieder geval is het aantal ongezonde levensjaren tegelijk met het aantal gezonde levensjaren toegenomen.

Ook de culturele gevolgen van de vergrijzing zijn problematisch. We leggen vanzelfsprekend een verband tussen een groot aantal jongeren en de wil tot verandering in een samenleving. Zie bijvoorbeeld de babyboom en de jaren zestig. Is het dan overdreven om een relatie te zien tussen een groeiende behoudzucht en het grote aantal ouderen? Een gevoel van verzadiging maakt zich breed, terwijl een veranderende wereld juist een beroep doet op bewegelijkheid.

Problemen zijn er genoeg. Neem de ongelijkheid die achter de cijfers over levensverwachting schuilgaat. Hoogopgeleide mensen leven gemiddeld zeven jaar langer dan hun laagopgeleide medeburgers. Wordt gekeken naar de periode waarin mensen gezond leven, dan zijn die verschillen nog groter. Dat nieuws haalde onlangs wel de voorpagina en laat zien dat ook in een klassenloze samenleving de ongelijkheid schrijnend kan zijn.

Het is allemaal waar en verklaart waarom de vooruitgang momenteel een slechte pers heeft, beter nog, helemaal geen pers heeft. Wat voor Condorcet nog gold als een wenkend perspectief, is inmiddels onze werkelijkheid van actieve stervensbegeleiding en sleetse verzorgingshuizen. Achter de gestegen levensverwachting gaat veel levensmoeheid schuil.

De ontnuchtering van de vooruitgang is begrijpelijk, maar is omgeslagen in een ontkenning van de vooruitgang. Dat heeft te maken met een gebrek aan historisch bewustzijn. We weten steeds minder wat er aan ons is voorafgegaan en daarom schatten we de tegenwoordige tijd niet naar waarde. Wanneer geklaagd wordt over het ontbreken van een verhaal in de politiek, zou begonnen kunnen worden met de geschiedenis van leven en dood in deze contreien.

De geringschatting van de stijgende levensduur zegt ook iets over een samenleving waarin het vooral gaat over kosten en baten. Is de prijs van de vergrijzing niet veel te hoog? De koppen spreken boekdelen: ‘Stijgende levensverwachting forse tegenvaller voor de pensioenfondsen.’ Inderdaad, de vergrijzing noopt tot aanpassing van de pensioenen of de gezondheidszorg. En wat dan nog: geld is toch niet het enige goed?

Condorcet was onwankelbaar in zijn hoop: „Is het eigenlijk wel zo absurd nu te veronderstellen dat er een tijd komt waarin de dood slechts het gevolg is van uitzonderlijke ongelukken of van de steeds tragere vernietiging van levenskrachten?” We wachten godzijdank niet meer op dag „dat de zon op aarde alleen nog maar schijnt op vrije mensen”. Maar een samenleving kan zich niet ontwikkelen zonder toekomstgericht idee. We mogen de stijgende levensverwachting wel wat luidruchtiger vieren.

Dit is de eerste column van Paul Scheffer, die voortaan elke twee weken zal verschijnen. Scheffer is hoogleraar Europese Studies in Tilburg en was eerder tussen 1990 en 1997 columnist op deze plek.