Johan Cruijff

Vraag een Nederlander wie de beste ter wereld is en vooral niet-Rotterdammers noemen het Amsterdamse straatschoffie uit Betondorp. Maar hoe goed (snel, slim technisch) en revolutionair (rugnummer 14, terugzakkende midvoor, totaalvoetbal) Johan Cruijff (64) ook is geweest, zijn loopbaan telt twee lacunes: geen wereldtitel met Oranje in 1974 én 1978. Op het eerste WK speelde de uitblinker van het toernooi een matige finale tegen West-Duitsland, met een nationaal trauma tot gevolg. Op het tweede WK, waar Oranje weer de finale verloor, schitterde hij door afwezigheid. Versie 1: hij zou van vrouw Danny niet meer zes weken van huis mogen zijn. Versie 2: hij zou bang zijn voor een ontvoering.

Zonder wereldtitel op zak is Cruijff, net als Messi en Di Stéfano, geen Pelé of Maradona. Messi vertoont qua speelstijl veel gelijkenissen met El Salvador. De Spaanse bijnaam voor ‘Verlosser’ dankt Cruijff aan zijn periode bij Barcelona, dat hij in de herfst van het Francoregime (1973-’74) verloste van de Madrileense voetbalheerschappij. Hoezeer Real wordt gehaat in Catalonië, bleek uit de film En un momento dado waarin gewone Barcelonezen (koks, chirurgen, bejaarden) hun dankbaarheid aan Cruijff in woord en gebaar tot uiting brachten.

Hij was vooral volgens niet-Madrilenen ’s werelds beste in de beginjaren zeventig. Met Ajax won hij drie Europa Cups en de wereldbeker. Hij maakte na omzwervingen en een bijna-faillissement als middertiger nog een rentree, met de lob tegen Haarlem als ouverture en een wreeftap tegen NEC als sluitstuk.

Toen had hij al ruzie met het Ajax-bestuur. Hij verhuisde uit rancune op zijn oude dag naar aartsvijand Feyenoord – een nog zwakker elftal waarmee hij ook kampioen werd. Zo maakte hij de blamage van zijn (eerste) afscheidsduel (0-8 tegen Bayern) nog ruimschoots goed.