Windvlaag

De Hongaren hadden er alles aan gedaan om te vergeten hoe koud het in Boedapest kan zijn. Alle klassieke gebouwen rond de ijsbaan waren warm aangelicht. Mart Smeets zat achter een raam met zware gordijnen. Hij nam ons drie dagen mee in een romantische schaatsvertelling.

Tsjonge, wat hadden de schaatsprofs vooraf gescholden op het EK in Boedapest. Ze waren topsporters, elk detail deed ertoe, en dan moesten uitgerekend zij – de crème de la crème op glij-ijzers – in de buitenlucht schaatsen.

Buitenlucht. Levensgevaarlijk. Wat er allemaal niet in de buitenlucht hangt tegenwoordig; fijnstof, benzinedamp, vieze geurtjes van oude fabrieken, niesvlokken van zwervers. Buitenlucht, een ramp om dat aan den lijve te moeten ondervinden. Die koude, die wind!

Coach Gerard Kemkers: „Er zijn schaatsers die het mentaal opgeven bij een windvlaag.”

Tsjechisch schaatsfenomeen Martina Sáblíková: „De een gaat anders met de wind om dan de ander.”

Voormalig kampioene Anni Friesinger: „Doe pain ien der hoofd, een windvlaag.”

De wind werd mijn grote vriend van het weekend. Ik had een bondgenoot tegen de zeurpieten op het Hongaarse buitenijs.

Met argusogen werd er gekeken naar Sven Kramer. Sven, een topsporter die niets aan het toeval wil overlaten. Sven zou wel even gehakt maken van de idioten die hem lieten schaatsen op een buitenbaan. Niks daarvan. Sven had zin.

Een Poolse schaatser uit het achterveld had het na twee dagen rijden in Boedapest goed begrepen: „Make love with the wind.”

Op zondag liet Sven zien hoe je de liefde met de wind moet bedrijven. Als de wind je van achteren omhelst, laat je alle remmen los. Glijden. En als de wind van voren tegen je blaast, maak je klein, verzet je op een speelse manier.

De geilheid spatte ervan af. Sven duwde zijn hoofd in de eerste beste windvlaag. Sven had ouderwets zijn handen op zijn rug gebonden op het rechte eind. Hij liet zich schaamteloos door de wind geselen. Met een lange tong uit zijn mond likte hij – de man zonder armen – aan de vlaag.

Sadomasochisme op buitenijs.

Sven, een jaar lang twijfelkont met onbegrijpelijke pijnen, was weer een kerel. Het EK in Boedapest was een wedstrijd tussen jongens en mannen, tussen vrouwen en meisjes.

Ook Smeets had het naar zijn zin. Hij bracht slow televisie van het beste soort. Tijd zat tijdens het dweilen. Bij gebrek aan spanning zoomden camera’s minutenlang in op het klote ijs en als Mart ‘vlag’ zei, kwam er ook lekker lang een wapperende vlag in beeld.

Gisteravond duurde het een eeuw voordat de kampioenen gehuldigd konden worden. Sven legde zijn schaatsen even op het paarse medaillekussen om zijn muts op te kunnen zetten. De wind was steenkoud geworden.

Eindelijk kroop de Hollandse driekleur langs de paal omhoog. Een militair met een kostuum dat verwees naar communistische tijden, trok aan het touw. Sven, met rode neus en blos, was ‘onwijs blij’.

Smeets leek van plan in Boedapest te blijven. Hij keek uit over de bewegende ansichtkaart en zoog als enig overgeblevene, de gure storm met volle teugen in zijn behaarde borstkas.

Boedapest, de stad met zijn Kettingbrug, de burcht, de Donau, het Hilton hotel. Met zijn beroemde opstand.

Met zijn winderige buitenbaantje.

Wilfried de Jong