Waren de dijken wel onderhouden?

Vorige week stormde het enkele dagen en het Noorden liep bijna onder. Hoe uitzonderlijk was dat? En zijn de Nederlandse dijken nog wel hoog en stevig genoeg?

Erg vertrouwenwekkend komt het allemaal niet over. „We zijn langs het randje gegaan”, zegt voorzitter Peter Glas van de Unie van Waterschappen over de wateroverlast van de afgelopen week.

Nederlanders worden geroemd om hun omgang met water. Om het ingenieuze systeem van dijken en gemalen. Om de imposante Deltawerken. En sinds een jaar of tien om het idee meer ruimte voor water te reserveren langs de rivieren. Maar een noordwesterstorm van enkele dagen blijkt voldoende om het Hollandse watermanagement te laten kraken.

Heeft waterstaatkundig Nederland z’n zaakjes wel goed voor elkaar? Waterschapper Peter Glas legt uit dat het noorden van Nederland een „uitzonderlijke situatie” heeft beleefd. „Wij moeten afgaan op wat meteorologen ons vertellen. Er is in één week evenveel regen gevallen als normaal in een maand. In het noorden viel 500 miljard liter water op 700.000 hectare. Vroeger hoorde je dan dat zowat de helft van het land onder water stond. Nu is er slechts voor 6 procent ruimte voor water.”

Nederland is langzaam ruimte voor water aan het terugwinnen, stelt Glas. „Dat gaat moeizaam. De ruimtelijke ordening is ingewikkeld. Waterschappen worden gelukkig steeds meer betrokken bij besluitvorming over ruimtelijke ordening. Maar het zijn provincies en gemeenten die beslissingen nemen over woningbouwlocaties.”

Je zou ook kunnen denken: wonen achter dijken hoeft nooit gevaarlijk te zijn, als de waterkeringen sterk genoeg zijn. En dat zijn ze blijkbaar niet. Onlangs nog bleek dat eenderde van alle belangrijke waterkeringen (rivierdijken, duinen en zeekeringen) onder de maat is. En ook al die andere dijkjes en kades langs bijvoorbeeld polders zijn kennelijk niet op orde.

Maar zo eenvoudig is dat niet, zegt Glas, watergraaf van het Brabantse waterschap De Dommel. „We hebben in Nederland 14.000 kilometer aan secundaire waterkeringen. Tot 2004 bestonden daar helemaal geen normen voor, de maatschappelijke drang daarvoor ontbrak. Inmiddels liggen er bij de meeste provincies en waterschappen wel juridische verordeningen over gewenste normen, maar met de uitvoering zijn we nog tot 2020 bezig.”

Vergeet ook niet, zegt Glas, dat je nooit een dijk kunt bouwen en vervolgens kan zeggen dat zo’n dijk de komende vijftig jaar veilig is. „Een dijk is klei en zand. Het is natuur. Het water klotst er recht tegenaan en dan weer van opzij, of er is helemaal geen water en dan droogt de dijk uit. Daarom is het zo belangrijk dat waterschappen genoeg mensen hebben om keringen in de gaten te houden.”

Han Vrijling ziet het anders. „Er is sprake van achterstallig onderhoud terwijl dat echt niet zo veel hoeft te kosten”, zegt de hoogleraar waterbouwkunde aan de TU Delft. Hij is kritisch over de „romantische” roep om meer ruimte voor water. „Daardoor is het pompen op de achtergrond geraakt. Met gemalen hou je de zaak beter in de hand dan met overloopgebieden. In Friesland zijn enkele gebieden onder water gezet met als resultaat één centimeter verlaging. Dat is niet veel. Er moeten extra gemalen komen. Als de wind verkeerd staat, sta je met gemalen soms uit een droge sloot te slurpen.”

En nog iets: hou op met het fluctueren van het peil in boezemwateren. Vrijling: „Dat is goed voor milieu en natuur, wordt er dan gezegd. Maar je moet daar niet mee rommelen.”